Religieuze gevoelens en ervaringen zijn letterlijk in ons brein aan te wijzen. Psychiater Herman M. van Praag onderzoekt de gevolgen van deze wetenschappelijke vaststelling. „Is religiositeit werkelijk niet meer dan het product van ongewoon functionerende hersensystemen?”
Al enige jaren zijn hersenonderzoekers bezig om spiritualiteit en religiositeit in de hersenen te lokaliseren, een terrein dat ’neurotheologie’ wordt genoemd. Tot nog toe zijn de resultaten bescheiden, maar ze hebben wel meteen voor nogal wat theologisch gekleurde ophef gezorgd, vooral in de Verenigde Staten.
Atheïsten zien er een triomf in van hun visie: geloof is eindelijk letterlijk ontmaskerd als een hersenspinsel. Gelovigen zijn verontrust. Is religiositeit werkelijk niet meer dan het product van niet goed functionerende, of op z’n minst ongewoon functionerende hersensystemen? Bevindt Gods zetel zich inderdaad, zoals de Amerikaaanse onderzoeker Joseph stelde, in de ’depth of the ancient limbic lobe’. Gelovigen staan met de mond vol tanden. Ik meen ten onrechte.
Eerst dit: affiniteit met de religieuze grondgedachte duid ik aan als religiositeit. De religieuze grondgedachte houdt het bestaan van God in, een bovennatuurlijke instantie die een fundamentele invloed uitoefent op het leven van het individu en op de samenleving waarin deze leeft. Bepalend voor religiositeit is de ontvankelijkheid – zowel emotioneel als cognitief – voor het begrip God en voor de transcendente werkelijkheid die het representeert. Ook moet er sprake zijn van affiniteit met eredienst en rituelen die zich rond het godsbegrip ontwikkeld hebben.Tenslotte is er de aanvaarding – althans in grote lijnen – van de mens- en wereldbeschouwing die de betreffende religie voorstaat.
Spiritualiteit is een veel vager begrip. Het duidt op een hang naar het ’hogere’, naar het ’geestelijke’, op onvrede om bij voortduring met beide benen op de grond te staan. De begrippen ’hoog’ en ’geestelijk’ zijn slecht te definiëren. Vandaar dat ik ze tussen aanhalingstekens plaats. Er bestaat bij sommige mensen, bij tijd en wijle, een romantische behoefte het alledaagse, vulgaire leven te ontvluchten; weg van beslommeringen, ambities en conflicten, naar een wereld waarin men rust vindt en zichzelf kan ’verwerkelijken’.
Die spirituele wereld blijft echter vaag en ongestructureerd. Wél wordt veelal het bestaan aangenomen van een transcendente werkelijkheid en van een hogere macht of machten die in die transcendente werkelijkheid opereren, al aarzelt men aan deze instantie het begrip God of goddelijk te verbinden. Net als bij religiositeit bezit die hogere macht de kwaliteit van heiligheid, wordt zij in het algemeen vereerd en kan die verering zelfs geritualiseerd worden. Maar van een wereldbeschouwelijke structuur, van een theologie is geen sprake.
Voor de religieus ontvankelijke mens is God hét zinnebeeld van spiritualiteit. Alle andere uitingen van spiritualiteit zijn per definitie van een lagere orde.
Nu blijken spiritualiteit en religiositeit voor een deel erfelijk en dus biologisch bepaald te zijn. De Amerikaanse psychiater Cloninger ontwikkelde een beoordelingsschaal om spiritualiteit te meten – de zogeheten zelftranscendentie schaal –, aan de hand van verschillende vragenlijsten. Hij maakte hierbij onderscheid tussen extrinsieke en intrinsieke religiositeit. Extrinsieke religiositeit heeft betrekking op uiterlijkheden: lidmaatschap van een kerkgenootschap, regelmaat van kerkbezoek, stiptheid in het volgen van rituelen. De term intrinsiek slaat op een belevingskwaliteit. Wat is de betekenis van geloof in iemands leven, in vergelijking met andere ’belangen’ zoals geld verdienen en carrière maken? Hoe diep reikt het godsgeloof? De erfelijke component bleek met name aantoonbaar voor intrinsieke religiositeit.
Bij het onderzoek naar de erfelijkheid van religiositeit speelden tweelingen een voorname rol. In de eerste plaats werd vastgesteld, dat eeneiige tweelingen in mate van religiositeit méér met elkaar overeenstemmen dan twee-eiige tweelingen. Eeneiige tweelingen zijn voor 100 procent genetisch identiek, twee-eiige voor 50 procent. Het verschil in religiositeit tussen beide groepen kan dus op het conto van erfelijkheid worden geschreven.
Een tweede type onderzoek betreft eeneiige tweelingparen die gescheiden zijn opgevoed: de één bij de biologische ouders, de ander bij niet-verwante pleegouders. Als een eigenschap sterk erfelijk bepaald is, zal een verschil in opvoedingsklimaat voor weinig onderscheid zorgen. Ook op deze wijze kon worden berekend dat religiositeit voor 30 tot 40 procent erfelijk bepaald is.
Toch spelen niet-genetische factoren als milieu, onderwijs en opvoeding eveneens een voorname rol bij de ontwikkeling van religiositeit. De Britse evolutiebioloog Richard Dawkins sprak van overdracht door ’memen’, een begrip dat hij definieert als „zichzelf kopiërende eenheden van cultuur; ideeën die van de één op de ander worden overgedragen, via woord, geschrift, rituelen en imitatie”.
In de hersenen zijn verder biochemische factoren gevonden die corresponderen met de mate van religiositeit. Hersenen zijn ons centrale informatieverwerkende systeem. De cellen in dit orgaan (neuronen) vormen geen continuüm, maar een uiterst gecompliceerd systeem van netwerken. Overdracht van informatie vindt plaats via afgifte van een chemische substantie, de zogenaamde ’neurotransmittor’. De transmittor hecht zich aan een eiwitmolecuul in de wand van de volgende zenuwcel, de zogeheten receptor. Via een verandering in de configuratie van de receptor wordt informatie overgedragen.
Eén van die substanties die voor overdracht van prikkels zorgt is het serotonine. Het netwerk dat van deze prikkeloverdrager gebruik maakt, bestaat uit verschillende onderdelen. Deze worden gedefinieerd naar het type receptor waarvan de prikkeloverdrager gebruik maakt. Met behulp van beeldvormende technieken nu is een verband aangetoond tussen religiositeit en vermindering van het aantal zogeheten serotonine-1A receptoren in de hersenen. Het zenuwcelsysteem dat deze receptor benut fungeert mogelijk als filter voor zintuiglijke prikkels. Als het niet goed functioneert zal men prikkels gewaar worden die anders buiten het bewustzijn zouden blijven. Die prikkels worden dus niet algemeen ervaren en men zou er een spiritueel- religieuze betekenis aan kunnen toekennen.
Met behulp van beeldvormende technieken kan men tegenwoordig eveneens de bloeddoorstroming en het glucoseverbruik in bepaalde delen van de hersenen meten. Beide grootheden zijn een maat voor de activiteit van de zenuwcellen ter plekke. Dergelijk onderzoek is verricht bij boeddhistische monniken tijdens meditatie en bij franciscaanse nonnen tijdens gebed. Via meditatie tracht de monnik zich los te maken van zijn begeerten, die in zijn optiek de bron van menselijke ellende zijn. De nonnen trachtten door intensief gebed nader te komen tot en uiteindelijk te versmelten met God.
Als de proefpersonen aangaven de spirituele dan wel religieuze piekervaring te hebben bereikt, bleken de bloeddoorstroming en het glucoseverbruik in het voorste deel van de hersenen verhoogd te zijn, maar afgenomen in de achterste delen. Het eerste fenomeen zou in verband staan met verhoogde aandachtsconcentratie, het laatste met het vervagen van de grenzen tussen de eigen binnenwereld en de buitenwereld. Een zeer gerichte aandachtsconcentratie en het loskomen van lichamelijke beperkingen zijn voorwaarden om een dergelijke toestand van aardse onthechting te bereiken.
Ten slotte blijkt uit onderzoek dat prikkeling van zeer bepaalde hersendelen met behulp van elektromagnetische signalen tot spirituele ervaringen leidt, zoals het gevoel van een ’aanwezigheid’. Proefpersonen interpreteerden deze ervaring als God, een geest of een ander bovennatuurlijk wezen. Van lijders aan bepaalde vormen van epilepsie is bovendien bekend dat zij nogal eens hyperreligieus zijn en dat eventuele psychosen bij hen een religieus karakter dragen.
Al deze gegevens wijzen erop dat spirituele, dan wel religieuze ontvankelijkheid een biologische basis heeft.
Hoe moeten we die biologische gegevens theologisch interpreteren? Atheïsten beschouwen ze als een triomf voor hun opvattingen. Religiositeit is door dit onderzoek definitief herkend als een ’brain state’: een product van ongewone, misschien zelfs wel pathologische hersenactiviteit. Begrippen als God en metafysische werkelijkheid zijn verzinsels waar een denkend mens zich verre van moet houden. Het zijn groteske misinterpretaties van de belevingseffecten van die toestand van het brein. Er bestaat geen werkelijkheid buiten de materiële, meetbare wereld.
Ik laat twee Nederlandse atheïstische wetenschappers aan het woord. Dick Swaab, hersenonderzoeker, meent ’dat wat we religieus geloof noemen een brain state is’. En Ronald Plaskerk, moleculair bioloog, nu minister, merkt op: „Als die vage ziel op een gegeven moment nog het enige is wat de religies staande kan houden, dan betekent dat natuurlijk wel een klinkende overwinning voor de wetenschap. Eigenlijk kunnen we de strijd tussen wetenschap en religie dan wel als gestreden beschouwen.”
Ik ben het met deze visie fundamenteel oneens. In de eerste plaats worden wetenschap en religie tegenover elkaar gesteld. Dat is onjuist. Ze staan naast elkaar en vullen elkaar aan. De een vraagt naar het hoe van het bestaan – naar structuur, naar oorzaken – de ander naar het waartoe, naar de zin en de betekenis ervan. Homo sapiens heeft zowel het vermogen gekregen te denken als te geloven. Zolang hij psychisch gezond is, weet hij waar het een ophoudt en het andere begint. Steven Jay Gould, evolutiebioloog, vatte het verschil tussen beide terreinen in een aforisme samen: „Science studies how the heavens go, religion how to go to heaven.” Polarisering van de twee schept een artefact. De idee dat wetenschap een klinkende overwinning heeft behaald of zal behalen op religie getuigt van een benauwde en benauwende materialistische visie op het leven.
In de tweede plaats ben ik het oneens met de atheïstische interpretatie van de neurotheologische gegevens. Die luidt: religiositeit gaat gepaard met meetbare veranderingen in bepaalde hersenfuncties. Religiositeit is dus het product van biologische processen in de hersenen. Die conclusie is een misvatting, of op z’n minst een verschrikkelijke versimpeling. Religiositeit veronderstelt hersenactiviteit. Dat spreekt vanzelf. Religiositeit is boven alles een vermogen tot een bepaald soort beleven. Beleven is afhankelijk van functionerende hersenen. Zonder hersenen zou er geen beleven mogelijk zijn. Dit betekent echter niet dat religiositeit in oorsprong een biologisch verschijnsel is. Hersenactiviteit maakt het verschijnsel mogelijk, is er een voorwaarde voor. De oorsprongen ervan liggen veelal echter op psychologisch, niet op biologisch niveau.
Ik zei dat dat veelal het geval is. Het activeren van ’religieuze hersencircuits’ kán in hoofdzaak biologisch bepaald zijn. Als gevolg van erfelijke factoren kan hun prikkelbaarheid verhoogd zijn. Hierdoor zullen ze ook door zwakke prikkels worden geactiveerd. Of, omgekeerd, hun prikkelbaarheid kan verlaagd zijn, waardoor het individu onvermogend of minder vermogend zal zijn tot religieus beleven.
Een tweede biologische mogelijkheid is, dat ’religieuze circuits’ verhoogd prikkelbaar zijn als gevolg van hersenletsel of door een tumor in de hersenen. Deze mogelijkheden zijn echter zeldzaam. In de meeste gevallen zullen psychologische processen de ’religieuze circuits’ activeren en de corresponderende emoties en ervaringen opwekken, niet een afwijking in de structuur of de functie van de hersenen. In het algemeen zijn het die psychologische processen die religiositeit ’dragen’.
De mens kent spirituele behoeften, die hij kan bevredigen door religieuze gevoelens en overwegingen op te wekken. Dat kan omdat ons brein over de hiertoe benodigde circuits van zenuwcellen beschikt. Die circuits zijn niet de oorsprong van religiositeit, zij zijn een intermediair tussen bepaalde psychologische behoeften en hun gevoelsmatige bevrediging.
Een analogie ter toelichting. Het waarnemen van een kunstwerk kan esthetische gevoelens oproepen. Aan die gevoelens ligt zonder twijfel activering van bepaalde neuronale circuits ten grondslag. Die activering is weliswaar essentieel voor hun ontstaan, maar zegt niets over de bron van die gevoelens, het kunstwerk, noch over de esthetische hoedanigheden van het individu, dat dit kunstwerk waarneemt. Studie daarvan vereist methoden die met neurobiologie niets uitstaande hebben.
Voor zover bekend, ontbreken ’religieuze circuits’ in de hersenen van dieren. Zij kwamen tot ontwikkeling bij homo sapiens, omdat ze hem tot nut waren; ze bevorderen zijn aanpassing aan het bestaan. Zij boden evolutionair gezien voordelen. Dat ’nut’ kan in psychologische termen worden beschreven.
Religiositeit vervult onze behoefte aan zingeving. Veel mensen wensen aan het einde van de rit te kunnen zeggen dat ze er iets van gemaakt hebben, dat ze ergens voor geleefd hebben. Het leven kent tal van potentiële zingevers. Hun zingevende potentie varieert. God staat aan de top van die lijst. God is het ultieme zingevende concept. Hij is het zinnebeeld van absolute moraliteit en bovenmenselijke autoriteit. God heeft verwachtingen. Hieraan te voldoen is voor de religieus ontvankelijke mens zowel opdracht als bron van bevrediging. God is voor hem de ultieme en sublieme zingever.
In de tweede plaats kan religiositeit tegemoet komen aan wat ik noem de ’emotionele responsbehoefte’ van de mens. Intense gemoedsbewegingen roepen de behoefte op aan een ander, iemand die reageert, antwoordt. Als zo’n klankbord ontbreekt of de beschikbare ander niet bij machte is adequaat te reageren, kan een intens gevoel van eenzaamheid intreden. Men neigt ertoe het ’hogerop’ te zoeken, zich te wenden tot een metafysische instantie, tot God, om zo het gemoed tot bedaren te brengen.
Een derde kracht van religiositeit is dat het tegemoet kan komen aan iemands ’afhankelijkheidsbehoefte’. Ik beschouw relaties gebaseerd op afhankelijkheid als uitingen van psychische volwassenheid, tenminste als er sprake is van wederzijdse afhankelijkheid. De een vult aan, waar de ander zich zwak weet. Onwil of onvermogen dergelijke relaties aan te gaan, maakt iemand eenzaam, onvervuld. Toenadering tot God kan dan uitkomst bieden. Tot hem staat de mens per definitie in een afhankelijkheidsrelatie.
Is er bij religiositeit sprake van een wederzijdse afhankelijkheidsrelatie? Ik meen van wel. Het begrip God wordt gedragen door de mens. Voor andere aardse creaturen is hij immers een onbekende. Zonder de mens zou er niemand zijn om van hem te getuigen. „De menselijke ziel is Gods lamp”, stelt een van de Spreuken. Kernachtiger kan de wederzijdse afhankelijkheid niet worden uitgedrukt.
Een laatste functie van religiositeit die ik hier noem is die van de verwondering. Verwondering dat er überhaupt leven bestaat, dat de aarde niet ’woest en ledig’ is. Verwondering roept bewondering op. Sommigen projecteren die bewondering op God, het zinnebeeld van scheppingskracht.
Het ’nut’ van religiositeit kan ook in theologische zin worden begrepen. In dat geval veronderstelt men het bestaan van een bovenmenselijke instantie, die zich aan de mens kenbaar wil maken, met hem wil communiceren. God op zoek naar de mens. De ’religieuze circuits’, zo kan men overwegen, ontwikkelden zich om dat contact mogelijk te maken.
In deze visie komt alle ’Boven’ inderdaad van ’Boven’. Dat ’Boven’ kan zich echter alleen via het ’beneden’ – via het brein – manifesteren. De termen Boven en beneden zijn van Harry Kuitert. Boven staat bij hem voor een metafysische, bovenaardse ruimte, waarbinnen het begrip God vigeert. Beneden duidt op de aardse, materiële wereld. Kuitert meent dat alle Boven van beneden komt; dat het Boven in feite een menselijk (fantasie)product is. Het theologisch standpunt dat ik hierboven formuleerde wijst die opvatting af. Het stelt dat het Boven voor de mens – althans voor de gelovige mens – bestaat. Bestaat, omdat hij, hier beneden, de cerebrale uitrusting heeft verworven om zich van dat Boven bewust te worden. Het Boven bestaat bij de gratie van het beneden.
Welke verklaring men ook voor plausibel houdt, ik veronderstel dat de religieuze circuits ontstonden en stevig biologisch verankerd werden omdat zij de mens tot voordeel strekten. Zij ontwikkelden zich bij de gratie van een behoefte. De behoefte ontstond niet als gevolg van disfunctionerende hersencircuits.
Ik kan geen krachtiger argument bedenken voor de existentiële betekenis van religiositeit. Ik zie in de neurotheologische gegevens dan ook een triomf van het theïsme.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.