’Een groepje etterbakken zonder emotie’. Zo omschrijft Ahmed Marcouch de relschoppers die Slotervaart na de dood van Bilal B. onveilig maakten. Stadsdeelvoorzitter Marcouch is teleurgesteld. „Ouders in Slotervaart zijn te veel met zichzelf bezig.”
Een groepje etterbakken zonder emotie. Zo omschrijft Ahmed Marcouch de relschoppers die Slotervaart na de dood van Bilal B. onveilig maakten. Marcouch is teleurgesteld. Hij had gehoopt op eendracht binnen zijn Slotervaart, op de kracht van de gemeenschap.
Natuurlijk had Marcouch rekening gehouden met de relschoppende jeugd die Slotervaart al langer onveilig maakt. „We kennen die jongens allemaal bij naam en toenaam. Maar ik had ook gehoopt op hún inlevingsvermogen”. Zijn opzet leek aanvankelijk goed uit te pakken. Na de dood van de 16-jarige Youssef bleven rellen uit. Er werden bloemen gelegd door buurtbewoners. Er werd een rouwdienst gehouden. Maar maandagavond, nadat de identiteit van Bilal B. bekend werd, ging het alsnog mis. Een groep van ongeveer 35 jongeren uit alle delen van Amsterdam staken in Slotervaart enkele auto’s in brand en bekogelden het politiebureau. De ME moest eraan te pas komen om de jongeren uit elkaar te drijven. Sindsdien is de buurt vergeven van patrouilles.
Marcouch: „Het goede vertrouwen dat we deze jongeren gaven is geschonden. Mijn grens is bereikt. Niets wordt meer getolereerd. We gaan nu keihard optreden. Alle jongens die betrokken waren, moeten gearresteerd worden. Mensen vinden het misschien geen prettig gevoel, al die blauwe ME-busjes op straat. Maar deze jongens hebben het er zelf naar gemaakt.”
Marcouch pakt de daders hard aan. Achterstanden en discriminatie zijn geen excuus voor hun optreden. Maar hij biedt de Marokkaanse gemeenschap ook steun. Zo ontvangt hij de moeders van Slotervaart in de raadszaal van het stadsdeelkantoor. Om wilde geruchten tegen te gaan, wil Marcouch hen zelf uitleggen wat er in de buurt is gebeurd. Een vrouw neemt het in het Arabisch, doorspekt met Nederlandse woorden, voor de jongens op. Marokkaanse jongens worden te vaak afgeschilderd als criminelen, vindt zij. Terwijl zij toch vaak vriendelijk zijn en keurig groeten bij de supermarkt. Het probleem ligt niet alleen bij de Marokkaanse jeugd, maar bij de hele maatschappij. Alle moeders in de zaal applaudisseren. Marcouch is het ook met haar eens. Jongeren moeten kansen krijgen in de samenleving. „Maar er is een grote groep die spuugt in de hand die hen wordt toegestoken. En bedenk wel dat de problemen waar we het hier over hebben steeds veroorzaakt worden door Marokkaanse jeugd.”
Ahmed Marcouch is de eerste Arabisch sprekende stadsdeelvoorzitter van Slotervaart, maar je vraagt je af hoe een bestuurder het in deze buurt ooit zonder die taal heeft kunnen stellen. Marcouch: „Ik wil niet zeggen dat je Slotervaart niet zou kunnen besturen als je geen Arabisch spreekt, maar als je iets tot stand wil brengen, is dat verdomd handig”.
Toch klinkt er iets van tegenzin door in de stem van Marcouch, die vrijwel accentloos Nederlands spreekt, als een Marokkaanse moeder hem vraagt om in het Arabisch te vertellen over Bilal B. „Al die mensen”, zegt Fatima Sabah van van een Marokkaanse vrouwenorganisatie, wijzend op de aanwezige Nederlandse welzijnswerksters, „hebben wel in de krant gelezen hoe het is gegaan. Maar u zit hier nu toch voor déze vrouwen”. Ze wijst op de veelal gesluierde hoofden in de zaal. „En die verstaan geen Nederlands. Zij willen ook weten hoe het ging.”
Vanaf dat moment is Arabisch de voertaal in de raadszaal. „Ik had liever Nederlands gesproken”, geeft Marcouch later toe. „Dat vind ik makkelijker. Maar deze moeders moeten een emotionele lading kwijt. Dat doen ze liever in het Arabisch.” Een oudere vrouw in paarse djellaba, witte hoofddoek en een hennatekening op haar kin begint te huilen bij zijn verhaal. Ook zij heeft ervaring met een kind als Bilal, vertelt ze overstuur in het Arabisch. Maar nooit heeft iemand haar hukp geboden. Welzijnswerksters buigen zich ondertussen troostend over haar heen.
„Ouders in Slotervaart zijn te veel met zichzelf bezig”, vindt Marcouch. „Ze zouden veel meer hun verantwoordelijkheid moeten nemen voor de kinderen. Natuurlijk hebben ze hun eigen problemen. Ze spreken de taal slecht, hebben geen werk of kennen de hulpinstanties niet. Ze verzuipen soms bijna in de ellende. Maar daarom kan je nog niet de handen van je kind aftrekken. Of zeggen, als je zoon veroordeeld is, ’jij bent mijn kind niet meer’. De overheid helpt, maar ouders moeten voorop.”
Eén van de moeilijkste dingen, vindt Marcouch, is om ouders te doordringen van de problemen waar hun kinderen mee kampen. „Zeker vaders willen vaak niet zien dat hun kind verkeerd bezig is. Zo zou er meer aandacht moeten komen voor blowen. Veel Marokkaanse jongeren kampen met schizofrenie. Die aandoening, in combinatie met blowen, is als een tikkende tijdbom.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.