De oerwouden van Indonesië worden in moordend tempo gekapt. Milieuorganisaties waarschuwen voor een catastrofale klimaatverandering als de ’Indonesische longen van de wereld’ verdwijnen.
Het verdwijnen van de Indonesische oerbossen gaat hard. In de afgelopen dertig jaar is bijna 80 procent van de jungle verdwenen. Het meeste hout wordt voor veel geld geëxporteerd en op de opengevallen plaatsen komen mijnen en palmolieplantages.
Op Kalimantan, het Indonesische gedeelte van het eiland Borneo, is honderden kilometers lang niets anders te zien dan verwoest tropisch oerwoud afgewisseld met rijen palmoliebomen en stukken onvruchtbare grond. Het is onvoorstelbaar dat de kale wegen op dit eiland nog geen twintig jaar geleden waren omgeven met ondoordringbaar oerbos. De oude jungleweggetjes van toen zijn geasfalteerd om het kostbare palmoliefruit in grote vrachtwagens te vervoeren.
Door het kappen van miljoenen hectares oerwoud heeft Indonesië na de VS en China de grootste uitstoot van kooldioxide, het gas dat verantwoordelijk is voor het broeikaseffect. Kooldioxide komt vrij wanneer de bomen die fungeren als opslagplaats voor het gas worden gekapt. Het oerbos van Indonesië is samen met het regenwoud in de Braziliaanse Amazone van onschatbare waarde en is daarom een belangrijk onderwerp op de klimaatconferentie op Bali. Daar zal een begin worden gemaakt aan de onderhandelingen die moeten resulteren in een nieuw klimaatverdrag dat in 2012 het Verdrag van Kyoto moet vervangen.
De klimaatconferentie zegt Madjid niet zoveel. Hij zit voor zijn warung (restaurantje) aan de snelweg die hij in de afgelopen 49 jaar heeft zien veranderen van een smal junglepad naar een eenbaanssnelweg. Het kappen van hout zegt hem meer.
Vol trots vertelt hij over de tijd dat hij eigenhandig kilometers bos neerhaalde: „Dat leverde pas geld op, veel meer dan het werk nu op de plantage”. Door een lokaal verbod op de houtkap verruilde hij zijn kettingzaag voor een warung, waar hij nu arbeiders van de dichtstbijzijnde plantage voorziet van nasi en bami.
Palmolie, gebruikt in voedsel en cosmetica, werd ironisch genoeg ooit gezien als een schoner en duurzamer alternatief voor aardolie, totdat gigantische plantages de plaats innamen van de oerwouden in Zuidoost-Azië. Inmiddels mogen in Indonesië palmolieplantages alleen nog maar worden aangelegd op al ontruimd land. De illegale houtkap en het platbranden van oerwoud is door huidig president Susilo Bambang Yudhoyono aan banden gelegd.
Toch wordt nergens ter wereld zo veel bos gekapt als in Indonesië; illegaal maar ook legaal. Volgens Greenpeace worden per uur driehonderd voetbalvelden weggekapt. Landen als India en China hebben, door een enorme economische ontwikkeling, grondstoffen en bouwmaterialen nodig. Inkomsten die een ontwikkelingsland als Indonesië niet kan missen. De ontbossing kan in de visie van Indonesië alleen maar een halt worden toegeroepen wanneer westerse landen geld leveren.
Ondertussen staan op Kalimantan duizenden jonge palmolieplantjes te wachten om geplant te worden in de vruchtbare junglegrond. Madjid maakt zich klaar voor de lunch, tussen zijn lippen kleeft een sigaret: „Feit is dat nu veel planters hier komen eten en drinken”, bromt hij, een blik werpend op het schrale landschap. „Als de plantages weg gaan, kan ik mijn zaak opdoeken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.