*

 

Het besef van de stilte vóór de schepping

Peter Henk Steenhuis − 09/04/07, 12:37

Voor filosofen is de schemerzone tussen ’zijn’ en ’niet zijn’, tussen taal en de oerstilte van vóór de taal geen gemakkelijk terrein: ze krijgen er met hun denken geen vat op. Vertrouw hier liever op de dichter, zegt filosoof Theo de Boer in zijn vijfde gesprek over filosofie en poëzie. „Diepere stilte, dat is wat we nodig hebben om te aanvaarden dat alles bestaat.”

Slaat een moderne lezer een dichtbundel open, dan verwacht hij niet op allerlei bruikbare kennis te stuiten. Hij verdiept zich ook niet in een gedicht uit de behoefte gesticht te worden. Wie poëzie leest, hoopt op een verdiept inzicht in onze werkelijkheid. Omdat taal die werkelijkheid ordent, moeten we het uitgebreid over taal hebben. Dat is gevaarlijk, want taalfilosofie is duivels lastig en voor je het weet eindig je bij postmoderne Franse filosofen, die taal de afgelopen decennia graag in verband brachten met dwang.

De Amsterdamse filosoof Theo de Boer: „In de moderne filosofie bestaat er een scherp besef van de ordening door de taal, maar deze ordening ervaren nogal wat Franse filosofen als een zelfgemaakt harnas. Zij zien taal als iets dat de relatie tot de werkelijkheid geweld aandoet, en zoeken naar een voortalige ervaring.”

Hoe zouden ze zo’n ervaring moeten uitdrukken?

„Precies, in taal, we hebben namelijk niet anders.”

Onzin dus.

„Nee. Ik denk dat het besef van een voorafgaande chaos terecht is. Taal heeft iets magisch, zij ordent en bezweert een onnoembare stilte.

Het besef van die oerstilte waaraan we door het woord zijn ontsnapt, vind je vooral in Genesis 1. Dat besef is nog altijd aanwezig bij al ons spreken en handelen. Het is een onvermijdelijke gedachte die je niet kunt en toch móét denken: aan onze geordende werkelijkheid moet een ’iets’ voorafgegaan zijn, of beter een ’niets’, want je weet zelfs niet of het een ’iets’ is. Dat besef zal nooit helemaal verdwijnen. In Genesis heet dit ’tohoewabohoe’, wat de dichter Willem Barnard ooit vertaalde met ’holte en volte’.”

Toen ontstond er taal, de taal schiep orde, en die orde ervaren Franse postmodernisten nu als een harnas.

„Ja. De eerste functie van het woord is het ontsluiten van de werkelijkheid. De keerzijde van orde scheppen, is dat bepaalde zaken op de voorgrond treden, en andere naar de achtergrond schuiven. Je ziet en spreekt altijd vanuit een perspectief. Maar dat maakt taal nog niet tot een harnas. Je kunt je bewust zijn van de eigenheid van het perspectief, en zodoende dus relativeren en bovendien nuanceren.

Ik zou daarom de ordenende werking van taal nooit gewelddadig noemen. Aan het eind van Hamlet is het toneel gevuld met lijken. Shakespeare heeft de geweldsfantasieën van zijn personages met bloed gevuld, maar zelf geen druppel bloed vergoten. De bron van het geweld ligt niet in de taal zelf.”

En het geraas en gebral dat je dagelijks hoort en leest, dat is niet gewelddadig?

„Nee, dat is ontaal, en die kan alleen bestreden worden met taal. Door precieze woordkeus, door de taal beschavingswerk te laten verrichten. In den beginne was, zo vermoed ik, inderdaad het woord.

Je merkt ook dat de angst om zich heen grijpt, zodra ons taalvermogen tekortschiet. Denk maar ’Hersenschimmen’ van J. Bernlef, waarin de dementerende hoofdpersoon langzaam maar zeker de woorden ontvallen. In de beklemmende ervaringen die Bernlef verwoordt, ervaren we iets van de leegte van vóór de schepping.

Ook in de politiek dreigt altijd het gevaar van de oervloed. We hebben daar in Nederland weer enig besef van nu het politieke bestel op losse schroeven schijnt te staan. Politiek is ordening en die heeft altijd iets willekeurigs. Dit zou je ertoe kunnen brengen te zeggen dat anarchisme beter is dan een willekeurige orde. Dat denk ik niet, er zal altijd orde moeten zijn, en het is gevaarlijk de chaos en de oerstilte te vergeten.”

Waarom?

„Het is goed te beseffen dat vertrouwde afbakeningen willekeurig zijn. Dat voorkomt paniek. Woorden zijn geen afbeeldingen van de dingen ’zoals ze zijn’, dat wil zeggen zoals ze zijn buiten de taal om.”

Hoe moeten we ons die oorspronkelijke stilte voorstellen?

„De Argentijnse dichter Roberto Juarroz noemt deze leegte ’een gezoem op de achtergrond’.”

Gezoem? Is het niet tegenstrijdig om de oerstilte een gezoem te noemen?

„Die vraag raakt meteen het hart van ons probleem. Hoe moet je iets aanduiden wat vóór de taal ligt? Het ’zijn’ is er dan eigenlijk nog niet, voorzover je pas van ’zijn’ kunt spreken als er een menselijke taal is die vaststelt dat er iets is.”

Ja, maar. Ik sputter tegen. Is het brute ’zijn’ dan niet zonder taal te ervaren?

„Er zijn inderdaad ervaringen die niet passen in ons geordende, gearticuleerde wereldbeeld en zich tóch opdringen. Je kunt het gezoem op de achtergrond vergelijken met het Ding an sich van Kant dat achter alle fenomenen zou liggen. Het is iets dat in principe onbereikbaar is voor ons kenvermogen en voor onze taal, en toch praten we erover als een ’iets’ dat bestaat.”

We kunnen toch niet anders?

„Nee. Het punt is dat je dat spreken niet als een bewering moet zien maar als de vertaling van een fundamenteel gevoel, een basiservaring die zegt: ik ben niet de grond van de wereld, er is iets onafhankelijk van mij. Zo beschouwd is ’gezoem op de achtergrond’ een vondst die geen filosoof de dichter kan verbeteren.

In het ’woest en ledig’ uit Genesis 1,’toohoewabohoe’ hoor je ook een soort dreigend geraas. Vergelijk het met het gezoem dat sommige mensen permanent horen in hun oor, terwijl er niets is. Soms menen ze zelfs een permanente fluittoon te horen.

Ook de vele herhalingen heeft dit gedicht gemeen met Genesis. De eerste vier strofen beginnen alle met het gezoem op de achtergrond. In elke herhaling wordt de dreiging van het gezoem nader omschreven en tegelijk het verweer genoemd dat we nodig hebben.”

Zit er net als in Genesis ook een logische volgorde in die herhalingen, en een climax?

„Gedichten hebben, in tegenstelling tot wat men vaak denkt, wel degelijk een soort logica. Laten we dat strofe voor strofe nader bekijken. In de eerste strofe is het gezoem de aankondiging ’dat dingen er zijn’.”

’Er zijn’, dat klinkt nogal abstract en filosofisch.

„Dat kan niet anders: filosofie is immers ontologie, de leer omtrent ’het zijn’. Ik moet dan meteen denken aan Sartre, wiens hoofdwerk heet ’Het zijn en het niets’. Het fundamentele kenmerk van het ’zijn’ is bij Sartre de contingentie.”

Wat is dat?

„Het stomme feit dat er iets is. Het ’zijn’ is bij Sartre iets waarmee we niet blij zijn. Het is een bruut feit. Hij beschrijft heel suggestief de walging die het oproept. Maar we moeten leren ons bij dat feit neer te leggen.”

Dat kan?

„Ja. We doen dat door het brute feit in te spinnen in een web van zingevingen. Adam zoekt al naar de zin of bestemming van de dingen, en hij roept hen die toe in het Genesisverhaal. Als hij in het zweet zijns aanschijns gaat werken, neemt die zin een concrete gestalte aan.”

Hoe dan?

„Hij vormt het ’zijn’ om tot product en tot cultuur. Alle dingen krijgen zo nut en betekenis. Sartre heeft eens gezegd dat hij pas na afloop van de oorlog ontdekte dat de wereld een zin had: de arbeid. Het proletariaat creëert de zin van de geschiedenis.

Ik haal er niet zomaar de Bijbel bij, want in de eerste strofe van het gedicht wordt ook gezegd dat we ’woord en wind’ nodig hebben om het zijn te kunnen verdragen. Woord en wind is in de Schriften een bekende combinatie. Wind is in het Grieks het woord voor geest: pneuma. De geest zweeft boven de oervloed die vervolgens in de tien strofen van het scheppingslied wordt bedwongen. ’Woord en wind’ is dus precies wat we nodig hebben.”

Ik wil toch even terugkomen op dat gezoem. Waar komt dat vandaan? Er gaat toch niets vooraf aan de schepping?

„Augustinus stelde deze vraag al. De kerkvader was bepaald niet gespeend van zin voor logica. Als God zegt: ’Er zij licht’, zo stelt Augustinus, moet er vóór het licht donker geweest zijn. God moet dus twee keer geschapen hebben: eerst het duister, daarna het licht. De redenering is onweerlegbaar maar toch klopt er iets niet: het staat er namelijk niet. Er staat niet dat God het duister schiep. En terecht niet, denk ik in mijn eenvoud. Iemand die in het donker zit, snakt naar licht en zit zich niet af te vragen: waar zou in hemelsnaam toch dat duister vandaan komen?

Dit idee staat ook centraal op de traditionele paasicoon van de orthodoxe kerk, die in het Grieks met het woord ’anastasis’ wordt aangeduid, dat opstanding betekent. De icoon verbeeldt de afdaling van Christus naar de onderwereld om de doden in de graven nieuw leven te schenken.”

Dit verhaal ken ik niet.

„Het staat ook niet in de evangeliën maar is afkomstig uit het apocriefe evangelie van Nicodemus. In de orthodoxe kerk speelt het, volgens mij terecht, een grote rol. Het is dé uitbeelding van Pasen. Op de icoon zien we het loshangende hang en sluitwerk van de verbrijzelde poorten van de onderwereld, en twee kruislings liggende planken. Christus heeft Adam net omhoog getrokken, terwijl Eva zich biddend naar hem toebuigt. Christus heeft door zijn binnendringen in de duisternis van de onderwereld de poorten van de Hades verbrijzeld. Pas vrij recent wordt de uitbeelding daarvan op de iconen vergezeld van of vervangen door die van het lege graf waaruit Jezus oprijst. Die verandering is toe te schrijven aan de invloed van het Westen.”

Wat is de betekenis van dit verhaal?

„Het stelt dat de macht van de duisternis, dus van het gezoem, definitief is opgezegd en vernietigd. Voor de verwoordingen van dergelijke ervaringen kun je beter terecht bij verhalenvertellers en dichters, dan bij een filosoof als Augustinus.”

Waarom weten denkers met dergelijke ervaringen geen raad?

„We hebben hier te doen met een schemerzone tussen ’zijn’ en ’niet-zijn’ waar filosofen niets mee kunnen omdat onze denkgewoonten er geen vat op hebben. Vandaar de neiging, ook van filosofen en theologen, om onze radeloosheid over de schemerzone te ontkennen terwijl zij toch een basiservaring is.

Sartre had wel gevoel voor deze ervaring: hij ging niet uit van een of andere stelling maar gewoon van zijn walging, die de toegang is naar dat gebied. Een sentiment dat dieper reikt dan de redenen van de rede, zo zou de Franse filosoof Pascal deze ervaring noemen.”

U adviseert te vertrouwen op dichters als het gaat om dergelijke fundamentele ervaringen. Maar hun woorden zijn vaak zo tegenstrijdig. Kijk naar de tweede strofe van Juarroz’ gedicht, dat precies het omgekeerde beweert van het eerste: het gezoem op de achtergrond zegt nu dat de dingen er niet zijn.

„Het gezoem klaagt er zelfs over. Het is nooit goed, lijkt het wel; het ’zijn’ niet en het ’niet-zijn’ ook niet. En dat is ook zo. Dat er íets is heeft geen grond, en dat er iets níet is ook niet. Over beide kan geklaagd worden.”

Waarom klaagt het gezoem eigenlijk?

„Dat weet ik ook niet, maar ik vind het wel een sympathiek trekje van het gezoem. Het roept als het ware om woord en wind. Als ik een rooms-katholiek filosoof was – wat ik niet ben, althans nog niet – zou ik zeggen: de oerchaos heeft een natuurlijk verlangen naar het Zijn en het Goede.

Er staat in deze strofe iets zeer aangrijpends: ’Een andere herinnering hebben wij nodig/ om niet krankzinnig te worden’. Door de herinnering proberen we gebeurtenissen een plaats te geven. Je hebt eens iets meegemaakt en weet niet precies meer wat. Wat doe je? Je probeert de context terug te vinden. Wanneer was het? In een vakantie? Waar brachten we die vakantie ook al weer door? De meest fundamentele middelen waarmee we ervaringen ordenen, zijn tijd en ruimte. Kunnen we die niet bepalen, dan blijven onze herinneringen schimmig. Maar bij dat gezoem hebben we te doen met iets dat zich in principe onttrekt aan de ordeningsmechanismen van tijd en ruimte. We hebben, zo stelt het gedicht, een heel ander geheugen nodig om het gezoem meester te worden.”

Een dergelijk geheugen hebben we niet.

„Nee, en dergelijke herinneringen ook niet. Maar in de droom, waar tijd en ruimte door elkaar heen lopen, kunnen we er misschien wel iets van ervaren. Volgens de Franse filosoof Immanuel Levinas gebeurt dat ook in de slapeloosheid. Als we slapeloos wakker liggen, ervaren we volgens hem het ’er is’ zonder zin of context, een soort geraas en gedaas. Er is zelfs geen bewust ’ik’ dat waakt. Hét waakt. Het waakt in mij.”

Ik begin me af te vragen waar we nu aan toe zijn. Want de derde strofe zegt, terugkomend op de eerste, opnieuw dat er niets is wat niet bestaat. Zij keert de tweede strofe weer om. Het lijkt wel een soort filosofische dialectiek in de trant van Hegel: these, antithese, synthese.

„Zie je wel dat ook poëzie wel degelijk systematiek kent. Het is alleen geen spel van begrippen, zoals in de filosofische ontologie, maar een verwoording van een ervaring. In dit geval de ervaring: wat er is, krijg je niet meer weg. Ging de vorige strofe over de holte, deze gaat over de volte. Het gaat hier over de onherroepelijkheid van het zijn, Er zijn dingen die je, zoals Jeroen Brouwers zegt, wel uit je geheugen zou willen weggummen. Maar dat gaat niet.

Er staat nog iets heel opmerkelijks in dit couplet. In plaats van woorden – en die zijn toch de grondstof van poëzie – lijkt het eerder stilte, dus zwijgen aan te bevelen: ’Met stilte gevoerde stilte hebben wij nodig/ om te aanvaarden dat alles bestaat’.”

Ook de poëzie verdwijnt?

„De vraag is wat die ’met stilte gevoerde stilte’ is. Er zijn verschillende vertalingen van dit gedicht, soms helpt het ze met elkaar te vergelijken. Mariolein Sabarte Belacortu kiest in haar vertaling ter gelegenheid van het optreden van Juarroz op Poetry International in 1993: ’een met stilte verdubbelde stilte’. Dat staat iets dichter bij het Spaanse origineel. Die verdubbelde stilte nu is volgens mij een definitie van de poëzie.”

Een tamelijk duistere definitie.

„Valt mee. De vraag is wat die verdubbeling van de stilte is, terwijl ik bij vorige gelegenheden juist de klank zo wezenlijk voor poëzie vond. We hebben gezien dat het gezoem een niet te stoppen geraas is. Een nachtmerrie. Je wordt er gek van. Wat heb je dan meer nodig dan stilte?

Welnu, juist poëzie kan stilte scheppen. Klank is gearticuleerde klank. Na elk woord valt er een stilte die we weergeven met een spatie. Nijhoff zei over deze stilte: ’Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt’.”

Dit is een andere stilte dan de oerstilte.

„Ja. Het gezoem op de achtergrond is stilte vóór de taal. Hier hebben we te maken met stilte ná de taal: de stilte die valt na elk woord en een volgend woord mogelijk maakt.

En poëzie heeft daarbovenop nog het kenmerk dat zij na elke regel stilte schept. Zo verdubbelt zij de stilte met stilte. Dit is het wezenlijke verschil met proza: bij proza beslist de schrijfmachine waar de regel ophoudt, bij poëzie doet de dichter dat.”

De dichter schept niet alleen na elk woord stilte, maar ook na elke regel.

„Precies. Die stilte schept extra betekenis. Dichters gebruiken die betekenis bij het enjambement.”

Dat is een stijlmiddel waarbij de versregel, door wit onderbroken, doorloopt in de volgende regel.

„Ja. Enjambement komt van ’jambe’, dat in het Frans ’been’ betekent. Het is een doorlopen. Hier moet ik nogmaals Nijhoff citeren. In ’Het uur U’, een gedicht over de verschijning van een vreemdeling, schrijft Nijhoff tweemaal dat deze man met ’gestrekte pas’ – een soort jambe-pas – onverstoorbaar doorloopt, en ’naarmate hij verder liep steeds dieper stilte schiep’.

Diepere stilte, dat is wat we nodig hebben om te aanvaarden dat alles bestaat. Hóe nodig wordt goed duidelijk in de vierde strofe, waar het gezoem ’onderstreept hoe kil de dood is’. Het geraas van de stilte vóór het woord wordt gedempt door de dubbele stilte ná het woord. De poëzie kan wat woord en wind kunnen.’’

Is dit de uitkomst van onze speurtocht?

„Dat zou je denken. Maar het gedicht heeft nog een verrassing in petto, of eigenlijk twee. In de vierde strofe staat dat we de som van alle liederen, en een overzicht van alle liefdes nodig hebben om het gezoem te laten ophouden. Hier wordt de betekenis van de taal en de poëzie tenslotte sterk gerelativeerd, in de trant van Paulus die zijn loflied op de liefde in 1 Korintiërs 13 begint met: ’Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal.’

Daarna volgt de ontknoping. Los van al onze woorden en liefdes is het ook mogelijk dat op een doordeweekse middag – ’maar dan wel één die open is’ – een vogel op de lucht komt zitten als op een tak. Dan zal alle gezoem ophouden.’’

Dit is de meest raadselachtige strofe.

„Ja. maar de tweede verrassing wordt eigenlijk al door de eerste voorbereid. De som van alle liederen plus het overzicht van alle liefdes is wel een heel hoge eis. Daar moet wel een oplossing van gene zijde op volgen.

Ik denk hierbij als vanzelf aan de doop van Jezus in de Jordaan: ’Als Jezus is gedoopt/ loopt hij meteen uit het water/ de wal op;/ en zie, geopend worden de hemelen/ en hij ziet de Geest van God/ neerdalen alsof het een duif is/ en komen op hem’.”

Krijgt dit gedicht nu ineens een christelijk slot?

„Dat hoeft niet, al dacht ik bij ’woord en wind’ uit de eerste strofe ook meteen aan het pinksterwonder. Vraag is of een gedicht door zulke verwijzingen christelijk wordt.

In een interview heeft Juarroz eens gezegd dat God voor hem een leegte geworden is. Hij noemt zich een mysticus met een essentiële roeping, de roeping om stilte. Dat sluit helemaal niet uit dat hij beelden en symbolen put uit de christelijke traditie.

Maar het wonder geschiedt bij hem op een doordeweekse middag, niet op een zondag.”

Eerdere afleveringen uit deze reeks over denken en dichten verschenen op 4/11, 30/12, 27/1 en 17/2. Ze zijn terug te lezen via trouw.nl/denkendichten.

mailIcon print |