Maatschappelijke stages voor scholieren zijn goedbedoeld. Maar de kabinetsplannen zijn erg duur en waarschijnlijk niet effectief en onuitvoerbaar.
In het nieuwe regeerakkoord staat aangekondigd dat alle scholieren verplicht een maatschappelijke stage van drie maanden moeten volgen. De bedoeling van zo’n stage is dat scholieren, door mee te werken in bijvoorbeeld ouderen- of gehandicaptenzorg, kennismaken met de samenleving. De verwachting is dat dit bijdraagt aan hun maatschappelijke betrokkenheid en hun besef van normen en waarden. In tegenstelling tot reguliere stages die vooral beroepsvormend zijn, gaat het hier om karaktervorming of burgerschapszin.
Het is de vraag of de combinatie van leerplicht en stageplicht niet gezien moet worden als sociale dienstplicht. En die is expliciet verboden volgens de internationale verdragen van de rechten van de mens.
Het kabinet vindt de nagestreefde doelen zeer belangrijk. Toch zal de uitvoering van de plannen stranden op logistieke problemen. Bij gewone stages in het onderwijs bestaat al een spanning tussen wat didactisch wenselijk is en wat praktisch haalbaar is. Daar gaat het om scholieren met een behoorlijke (bijna afgeronde) beroepsopleiding, die doorgaans goed gemotiveerd zijn omdat ze immers voor het beroep hebben gekozen. Vaak verblijven ze langdurig in het stagebedrijf.
Vergeleken met de 20 miljoen uur vrijwilligerswerk die nu al per week wordt verricht in Nederland zal de extra bijdrage van de scholieren relatief beperkt zijn. De coördinatiekosten zijn echter wel veel groter dan normaal. Als scholieren bijvoorbeeld 8 uur per week maatschappelijke stage gaan volgen, werken ze in 3 maanden 196 uur. Voor deze 196 uur moeten wel sollicitatiegesprekken worden gevoerd bij de instellingen die de scholieren aan het werk zetten. Waarschijnlijk zal de school hier ook bij betrokken worden.
En vervolgens zullen de instellingen de leerling moeten begeleiden. In ruil daarvoor krijgen zij een zeer onervaren, en in veel gevallen ongemotiveerde kracht. Deze jongeren kunnen een groot aantal taken waarschijnlijk niet uitvoeren, omdat het niet haalbaar is ze voor zo’n korte tijdsperiode goed te instrueren over veiligheid.
We hebben becijferd dat de begeleiding en coördinatie van de scholieren ongeveer evenveel geld gaat kosten als de scholieren aan productieve arbeid zullen leveren. Het levert de stage-instellingen per saldo dus niets op. Voor hetzelfde geld kunnen die professionele krachten in dienst nemen. Instellingen zullen dus weinig zin hebben om werk te maken van de maatschappelijke stages.
De allergrootste kostenpost is echter dat scholieren de tijd die zij besteden aan maatschappelijke taken niet kunnen steken in het studeren. Soms lijkt het er op dat men het belangrijk vindt dat scholieren op school zitten, maar dat het niet belangrijk is wat ze op school doen. In de werkelijkheid is wat je op school leert de optelsom van elk uur dat besteed is aan leren. Minder studeren is minder kennis en de prijs daarvan is jaarlijks ongeveer 360 miljoen euro.
Op twee manieren vallen de kosten van de stage in toom te houden. Eén: door te bezuinigen op coördinatiekosten. Daardoor kunnen scholieren makkelijker zelf hun stageplaats uitkiezen. Ze zullen zoeken naar bijdragen die dichter liggen bij de activiteiten die ze toch al doen en de impact zal dus snel dalen.
De tweede manier is door scholieren langer stage te laten lopen. De coördinatiekosten dalen dan relatief. Als scholieren drie maanden fulltime stage lopen, schatten we dat de coördinatiekosten de helft van de opbrengst zijn. Per scholier wordt dan ongeveer 500 euro verdiend. De maatschappelijke kosten die ontstaan doordat scholieren minder leren, lopen dan echter op naar 1,8 miljard euro.
Los van de logistieke rompslomp is het de vraag of de vorming van scholieren tijdens de maatschappelijke stage 360 miljoen euro waard is. Er is nooit een degelijk onderzoek gedaan naar de effecten van zo’n stage. De voorbeelden gaan meestal over vrijwillige projecten waarbij scholieren na afloop van de stage heel enthousiast bleken te zijn. Bij het grootste deel van de scholieren valt echter niet te verwachten dat ze later gebrek aan burgerschapszin zullen hebben.
Cruciaal is of de stage er voor zal zorgen dat juist jongeren die totaal geen zin hebben om met bejaarden door de stad te lopen, zich door deze ervaring later beter gaan gedragen dan ze zouden doen zonder verplicht op stage te zijn gestuurd. Vaak vallen de effecten van dit soort maatregelen tegen.
Voordat de maatschappelijke stage massaal wordt ingevoerd zou in ieder geval een degelijk experiment opgezet moeten worden om serieus te analyseren of de invloed inderdaad 360 miljoen euro waard is.
Lex Borghans en Bart Golsteyn zijn respectievelijk hoogleraar arbeidseconomie en sociaal beleid aan de Universiteit Maastricht en onderzoeker bij het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt van de Universiteit Maastricht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.