’Buitengewoon treurig’ en ’onthutsend’ is het hoe weinig er tot nu toe aan het lerarentekort is gedaan. Tijd voor een nieuwe aanpak.
„Hoe meer cijfers ik te zien kreeg, hoe zenuwachtiger ik werd”, zegt Alexander Rinnooy Kan. In het dagelijks leven is hij voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (Ser), maar de afgelopen maanden besteedde hij veel van zijn tijd aan het voorzitterschap van een commissie die zich over het dreigende lerarentekort boog. Gisteren kreeg het kabinet de adviezen gepresenteerd.
Rinnooy Kan is geschrokken. „Stel je voor, binnen zes à zeven jaar vertrekken in het voortgezet onderwijs drie van de vier leraren. En het aantal dat van de opleidingen komt, is bij lange na niet genoeg om die gaten op te vullen.”
Maar, vervolgt hij, het gaat niet alleen om de kwantiteit, ook de kwaliteit is een probleem. Want aankomende studenten van lerarenopleidingen missen soms elementaire vaardigheden en op de opleidingen zelf is ook het een en ander aan te merken. „Er gaan ervaren, deels gedesillusioneerde leraren weg; daar komen jonge, niet zo goed opgeleide, maar hopelijk gemotiveerde leraren voor terug.”
Het probleem is niet nieuw, weet Rinnooy Kan, en zijn commissie is ook niet de eerste die oplossingen aandraagt. „Er zijn de afgelopen vijftien jaar goede rapporten geschreven met goede ideeën. Maar het is buitengewoon treurig om te zien hoe weinig dat heeft opgeleverd.”
Hoe dat komt? „De oplossingen zijn vaak gezocht op het niveau van de scholen. Die kregen instrumenten aangereikt voor hun personeelsbeleid, in de verwachting dat leraren daarvan zouden profiteren. Maar het is onthutsend hoe weinig scholen daarmee hebben gedaan. Functie- en beloningsdifferentiatie, loopbaanbeleid, functioneringsgesprekken – de overgrote meerderheid van de scholen doet er niets aan.”
Daarom mikt Rinnooy Kans eigen commissie niet op scholen, maar op leraren zelf. Die moeten allereerst beter betaald worden naarmate ze hoger geschoold zijn. „Dat zal zeker discussie geven”, voorspelt de commissievoorzitter. „Want iemand die bijvoorbeeld een mastergraad haalt, gaat als ’ie terugkomt misschien precies hetzelfde werk doen als daarvoor. Toch krijgt hij dan meer betaald. Dat is verdedigbaar, vind ik. Want ik ben ervan overtuigd dat hij datzelfde werk beter gaat doen.”
Zo stimuleer je ook dat leraren zich blijven ontwikkelen, voegt de Ser-voorzitter eraan toe. Ook leraren die voor de klas blijven staan, kunnen dan carrière maken; als ze meer willen verdienen, hoeven ze niet langer over te stappen naar een functie als manager.
Maar niet alleen het loon, ook het aanzien van het beroep moet omhoog. Dat wil de commissie bevorderen door een lerarenregister in te stellen; daarin wordt bijgehouden wat elke leraar doet aan bijscholing. Is dat te weinig, dan wordt hij geschrapt uit het register. „Je vak bijhouden hoort bij het leraarschap. Leraren moeten het gevoel krijgen dat ze zelf verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van hun beroep.”
Uit onderzoek blijkt dat het imago van de leraar de afgelopen 25 jaar niet slechter is geworden, zegt Rinnooy Kan. „We vinden het nog steeds een ongelooflijk belangrijk beroep. Het is vooral de leraar zelf die geen goed zelfbeeld heeft. Dat moet veranderen. Alleen als iedereen leraren associeert met goed betaalde, gedreven professionals kunnen we het lerarentekort oplossen.”
Zonder extra geld lukt dat niet. Voor de plannen van de commissie is 1,1 miljard euro nodig, geld dat onderwijsminister Plasterk niet heeft klaarliggen. Maar, zegt Rinnooy Kan, „Plasterk zou gek zijn als ’ie niets met dit advies deed.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.