Wilders speelt een andere wedstrijd dan de rest van de Tweede Kamer. Dat maakt het verdraaid lastig te scheidsrechteren voor de Tweede Kamervoorzitter.
Na de uitlatingen van Wilders richting minister Vogelaar (’knettergek’) gaat Tweede Kamervoorzitter Verbeet met de fractievoorzitters praten over de vraag of de regels voor het taalgebruik in de Kamer moeten worden aangescherpt. D66-Kamerlid Pech-told dringt aan op een discussie over wat wel en niet gezegd mag worden. Het is de vraag of dit een zinvolle exercitie is.
Het opstellen van een index met verboden woorden is elk geval zinloos. De geschiedenis leert dat Kamerleden inventief genoeg zijn om zoiets te omzeilen. CPN-voorman Marcus Bakker maakte er halverwege de vorige eeuw een sport van om termen te kiezen die destijds op de grens waren. Voor het geval de voorzitter hem afhamerde, had hij een vervangend woord in de kantlijn van zijn toespraak genoteerd – het liefst nog bedenkelijker dan het eerder gebruikte. Beroemd is ook de truc van PvdA’er Marcel van Dam uit 1984: wetende dat hij niet mocht zeggen dat premier Lubbers de laagste inkomensgroepen belazerde, maakte hij ervan dat alle minima door de premier werden ’belubberd’. Bovendien is het doorgaans niet de droge betekenis van de woorden, maar de toon en context die uitspraken onbetamelijk maken. Deze factoren zijn onmogelijk in een ’zwarte lijst’ te vangen.
Het aanscherpen van de regels is evenmin zinvol. De Kamervoorzitter beschikt al over een opklimmende reeks maatregelen om op te treden tegen orde verstorende leden. Ze kan de spreker waarschuwen en hem zijn woorden terug laten nemen. Wanneer deze dat weigert of doorgaat op dezelfde weg, heeft zij het recht hem het woord te ontnemen en ten slotte, als ultieme remedie, uit te sluiten van de vergadering. Op papier had Verbeet kortom stevige troeven in handen om Wilders’ uitspraken te bestraffen.
Wellicht dat sommige oudgedienden nog met weemoed terugdenken aan de schrapbepaling. Deze maatregel maakte het de voorzitter mogelijk om na een waarschuwing de beledigende of anderszins ontoelaatbare woorden uit het officiële verslag van de vergadering te schrappen. In 2001 schafte de Kamer de schrapbepaling af, vooral omdat het zinloos werd gevonden iets ’niet gezegd’ te verklaren dat toch al door de media was geregistreerd. Voorstanders van de maatregel brachten hier tegenin dat er een symbolische, morele werking van uitging: door ze te schrappen, gaf de rest van de Kamer aan dat bepaalde uitlatingen niet als normaal werden gezien.
De moeilijkheid is echter dat procedures en regels, of ze nu zijn vastgelegd in een reglement of berusten op herenafspraken, altijd functioneren in een sterk door politieke verhoudingen beheerst krachtenveld. Op dit moment is dat zo gepolariseerd en door de peiling van de dag gedomineerd, dat het aan draagvlak ontbreekt om de PVV-voorman welke sanctie dan ook op te leggen. Politiek opportunisme weerhoudt de Kamer ervan norm en daad te stellen. De VVD is bang om ter rechterzijde kiezers te verliezen; de rest om door het fortuynistisch electoraat voor ondemocratisch en elitair uitgemaakt te worden. Met als gevolg dat de voorzitter niet de moed heeft hard op te treden, de Kamerleden niet de moed hebben haar daarin te steunen en de getroffen minister niet de moed heeft Wilders direct van repliek te dienen.
Hier komt bij dat, al maakt de Kamer nog zoveel regels, het gedrag van de leden per saldo zal worden bepaald door de manier waarop zij in de vergaderzaal en elders invulling willen geven aan het ambt van Kamerlid. Het probleem is dat Wilders op dit moment kiest voor een afwijkende invulling. Hij is er helemaal niet op uit zijn Haagse collega’s voor zich te winnen en compromissen te sluiten om zodoende zijn standpunten in beleid omgezet te krijgen. Zijn Kamerlidmaatschap is eendimensionaal van inhoud en alleen gericht op de bühne. Daarmee speelt hij een andere wedstrijd dan de rest van de spelers, en dat maakt het verdraaid lastig scheidsrechteren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.