Het hééft iets sneus. Uitgerekend in de maand dat zelfs de VVD zich heeft bekeerd tot het groene evangelie, verliezen de milieuridders van het eerste uur rap aan aanzien en draagvlak.
De maatschappelijke irritatie, zoals dat heet, zwelt aan. Over Milieudefensie die besluiten rond nieuwe tracés en grote projecten eindeloos traineert – ook na rechterlijke uitspraken. Over de Waddenvereniging die de Zeeuwse mosselvissers het leven meer dan zuur maakt. En over de nieuwste strapatsen van Greenpeace. Deze organisatie werpt sinds kort enorme rotsblokken in de Noordzee teneinde vissersschepen in het nauw te brengen. Levensgevaarlijk? Welnee, beweert de club met een stalen gezicht. De vissers kunnen het betreffende gebied „makkelijk vermijden om eventuele risicovolle situaties te voorkomen”.
Al deze acties gebeuren uiteraard in naam van het Milieu – een entiteit die, net zoals alles wat Heilig is, niks terugzegt. Heel comfortabel, natuurlijk.
Maar zie, het tij is aan het keren. ’Gedupeerden’ pikken het niet langer. Ze richten eigen actiegroepen op die zich tooien met namen als ’De Groene Leugen’. En ook de werkgeversorganisatie is het zat. Dat leerde ik althans uit De Telegraaf die zaterdag paginabreed uitpakte tegen ’de milieumaffia’. Het moet maar eens afgelopen zijn, was de strekking, met de ’groene arrogantie’. Grootste grief: dat het rijk dit soort milieuorganisaties ruimhartig subsidieert (op een enkele uitzondering als Greenpeace na.)
Nu is dat inderdaad een fascinerend fenomeen: een overheid die subsidie geeft aan clubs die daarmee haar beleid gezellig mogen dwarsbomen. Bijna overal elders – probeer het een buitenlander maar eens uit te leggen – is zoiets volstrekt ondenkbaar. Hier hoort het al zo’n veertig jaar tot de vaderlandse folklore. En het is, als alle folklore, vertederend, maar ook een beetje mal. Want waarom bewijzen de milieuorganisaties niet zelf hun bestaansrecht – gewoon, door hun financiën onder de eigen achterban bij elkaar te sprokkelen? Wat is daar eigenlijk op tegen?
Het tegenoffensief blijft intussen niet zonder gevolgen. Minister Jacqueline Cramer van Vrom, tevens geplaagd oud-voorzitter van Milieudefensie, voelde zich althans dit weekend genoodzaakt een officiële verklaring af te leggen. Milieuorganisaties, suste ze, doen reuze nuttig werk als ’intermediair’ in het maatschappelijk debat. Maar, waarschuwde ze ferm, als zij het debat ’heel eenzijdig’ en op grond van ’onjuiste of onvolledige informatie’ voeren dan „kan dit leiden tot stopzetting van de subsidie”.
Pikant: even later bleek dat haar departement ’geen flauw idee’ had van het bedrag dat het jaarlijks ter beschikking stelt aan de milieuorganisaties. „Dat zijn we nu precies in kaart aan het brengen”, zuchtte een woordvoerder tegen Het Parool. Dinsdagavond waren de ambtenaren van Vrom klaar met hun rekenwerk: de verzamelde milieuclubs blijken ruim tien miljoen euro te ontvangen voor projecten en campagnes.
En de organisaties in kwestie? Die reageerden, hoe kan het anders, zeer ontstemd op alle commotie. Indrukwekkend was hun weerwoord trouwens allerminst. Als kleuters betrapt met hun hand in de snoeptrommel wisten ze niet hoe snel ze moesten wijzen naar andere boosdoeners. De pot verwijt de ketel! Alsof het bedrijfsleven niet óók volop profiteert van overheidssteun!
Binnenkort gaan de gesubsidieerde milieuvrienden bij de minister op de koffie; de uitnodigingen zijn naar verluidt de deur al uit. Als ze verstandig zijn, delen ze haar bij die gelegenheid vriendelijk mee dat ze van het gezeur af willen zijn. En dat ze voortaan, heel chic en heel principieel, op eigen benen zullen staan.
Gek misschien, maar iets vertelt me dat dit niet zal gebeuren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.