*

 

10/05/08 - ’Ik vermoed een grote behoefte’

Ruud van Heese − 10/05/08, 00:00

De openheid over de zelfgekozen momenten van overlijden van schrijvers Claus en Voskuil, zet de euthanasiewet weer in de schijnwerpers. Femke Halsema, fractievoorzitter van GroenLinks, wil laten onderzoeken of de wet moet worden verruimd, waardoor meer mensen ’waardig’ kunnen sterven.

’De dood heeft mij vergeten”, citeert Femke Halsema de in 1998 overleden oud-PvdA-senator Brongersma. Hij vond zijn huisarts bereid om dit ’verzuim’ te herstellen en hem te helpen om uit het leven te stappen. Maar in december 2002 oordeelde de Hoge Raad dat de arts dat niet had mogen doen. Levensmoeheid viel niet onder de termen van de euthanasiewet, aldus het hoogste rechtscollege.

Zeven jaar na het van kracht worden van de euthanasiewet (officieel: Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding) probeert GroenLinks de discussie over lotgenoten van Brongersma weer open te breken.

Halsema, fractievoorzitter en woordvoerder medische ethiek, wil volgende week de Tweede Kamer laten uitspreken dat onderzoek moet worden gedaan naar de vraag hoe om te gaan met mensen die – zoals Brongersma – vinden dat ze niets meer hebben te verwachten van het leven. Haar voorstel zal het niet halen, weet ze. VVD en D66 steunen het. Maar staatssecretaris Bussemaker en de coalitiefracties CDA, PvdA en ChristenUnie willen er niet aan, net zo min als SP en SGP.

„Een gotspe”, noemt ze de vrij dwingende pas-op-de-plaats-passage in het regeerakkoord ten aanzien van euthanasie. „Het maakt een einde aan de traditie dat Kamerleden in zaken als deze niet onderhevig zijn aan gewetensdwang. Op deze manier constitueer je een vertrouwensbreuk tussen coalitiepartners.”

Halsema grijpt het gesprek over euthanasie maar meteen aan om een hardnekkig misverstand weg te nemen: zij is absoluut niet voor wat bekend is geworden als de ’pil van Drion’. In de visie van de naamgever en pleitbezorger, oud-rechter wijlen Huib Drion, zouden vrij verkrijgbare zelfdodingsmiddelen ouderen de mogelijkheid moeten geven op een door hen gewenst tijdstip hun leven kalm en zonder lijden te beëindigen. Een geruststelling voor mensen die het moment dichterbij zien komen waarop het leven niets anders meer te bieden heeft dan lijden, aldus de voorstanders.

Maar Halsema rekent zichzelf daar al een tijdje niet meer toe. „Vroeger dacht ik inderdaad anders over de pil van Drion. Maar ik kan me nu niet meer voorstellen dat ik daar ooit nog voor zal pleiten”, zegt ze. „Dat zo’n middel direct thuis beschikbaar is, biedt onvoldoende waarborgen aan mensen die niet echt uit het leven willen stappen, maar met het innemen ervan alleen een schreeuw om hulp willen laten horen.”

Geen pil van Drion dus, maar wat dan wel?

„Ik wil, na zorgvuldig onderzoek naar het probleem zelf en naar de juiste afgrenzing van de groep om wie het gaat, in de wet aan de bestaande criteria een nieuwe bepaling toevoegen die regelt dat een arts die een patiënt helpt te overlijden vrijuit gaat als bij die patiënt sprake is van een ’onomkeerbaar verlies van de persoonlijke waardigheid’.

Ik denk dat de behoefte daaraan breed leeft. Als het onderzoek dat tegenspreekt, zal ik opnieuw een standpunt moeten bepalen. Maar ik vind dat het aantal mensen dat daaraan behoefte heeft er eigenlijk niet zo heel veel toe doet. Uiteindelijk vind ik dat je in een kwestie als deze mensen die mogelijkheid moet bieden, ook als het om een kleine minderheid gaat.”

Wie bepaalt wanneer sprake is van onomkeer verlies van de persoonlijke waardigheid?

„Dat is in eerste instantie de patiënt zelf, in overleg met hulpverleners, artsen en familie. Ik kan me voorstellen dat een second opinion nodig is, dat je zo’n euthanasieverzoek uitgebreider laat toetsen door bijvoorbeeld een commissie. Bij het al bestaande criterium ’ondraaglijk lijden’ bepaalt uiteindelijk óók de patiënt zelf wat hij nog kan verdragen. Maar ’onomkeerbaar verlies van persoonlijke waardigheid’ geeft de patiënt wel meer ruimte voor een eigen invulling.”

„Het gaat hier om mensen die net als Brongersma afhankelijk zijn van zorg die wordt verleend door onbekenden. Die lijden aan ernstige fysieke kwalen, die op zichzelf, en ook als optelsom, niet dodelijk zijn. Mensen die iedereen om zich heen hebben zien overlijden. Die volledig in een sociaal isolement verkeren. En die ondanks de zorg die ze krijgen langdurig verlangen naar de dood.”

„Mijn partij redeneert vanuit een humanistische visie. Die houdt in dat er geen hogere macht is. Dan is de vraag aan wie je het dan overlaat. Aan de staat? Aan de samenleving? Nee, uiteindelijk hou je dan de mens zelf over die over zijn levenseinde beslist, zij het dat die mens een relationeel wezen is en zo’n beslissing normaliter altijd in samenspraak met zijn omgeving zal nemen.”

De seculiere partijen in de oppositie trekken op dit punt niet gelijk op. De grootste oppositiefractie, de SP, stelt dat de overheid mensen moet verlossen van het lijden, en niet van het leven. Met andere woorden: in plaats van ruimere euthanasieregels zouden er meer zorg en hulp moeten komen.

Halsema, fel: „De opstelling van de SP vind ik stuitend, populistisch. Van partijen als CDA, SGP en ChristenUnie begrijp ik de bezwaren tegen een mogelijke verruiming van de euthanasiewet. Aanhangers van die partijen leggen hun lot immers in handen van een hogere macht en keren zich tegen zelfbeschikking in kwesties van leven en dood.

De SP creëert een valse tegenstelling. Natuurlijk is er een dure plicht om hulp te bieden. Maar de staat kan iemands eenzaamheid niet wegnemen. De staat ís geen lieve moeder die thee met je drinkt en je eenzaamheid oplost. Of meer zorg óf meer ruimte voor euthanasie is een te simpele tegenstelling die onrecht doet aan de ingewikkeldheid van het lijden. Bovendien doe je afbreuk aan de ethiek van artsen en andere hulpverleners die juist op het redden van levens zijn gericht. Als parlementariër heb je hun beroepsethiek te respecteren.”

De dood van Hugo Claus trok niet alleen aandacht vanwege het zelf gekozen moment van overlijden, maar ook doordat bekend werd dat bij hem Alzheimer was vastgesteld. Hoe ziet u de positie van demente patiënten in relatie tot de euthanasieregels en een mogelijke verruiming daarvan?

„De huidige euthanasiewet biedt geen oplossing voor langdurig dementen die nooit een wilsverklaring hebben opgesteld. En de mogelijke verruiming die ik bepleit doet dat evenmin. Ik ben bang dat we daarvoor ook nooit een oplossing zullen vinden. Er moet bij euthanasie immers altijd sprake zijn van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van een wilsbekwame patiënt.

Artsen zijn nu heel terughoudend met euthanasie bij demente patiënten, ook als die eerder een wilsverklaring hebben opgesteld waarin ze aangeven dat ze hun leven willen laten beëindigen als ze eenmaal dement zijn. Ik zou willen laten bekijken of die wilsverklaring een sterkere status kan krijgen, zodat artsen minder terughoudend hoeven te zijn. Tegelijkertijd moet je dan wel strengere eisen stellen aan zo’n verklaring. Die moet zo nauwkeurig mogelijk beschrijven in welke toekomstige situatie iemand zijn leven beëindigd wil zien. Het nadeel van zo’n verklaring is natuurlijk dat die altijd iets statisch heeft, en niet altijd even goed past op de praktijk van het leven. Maar je moet proberen om het gat tussen de eerder opgestelde wilsverklaring van de patiënt en de situatie waarin arts en nabestaanden later over diens levenseinde moeten beslissen, zoveel mogelijk te dichten.”

Geven de mogelijke veranderingen die u voorstelt de critici van toen niet alsnog gelijk dat met de euthanasiewet de eerste stappen werden gezet op een hellend vlak?

„Met de komst van de wet werd een situatie waarin euthanasie werd gedoogd min of meer teruggedraaid. Er wordt nu echt niet lichtzinniger dan toen gedacht over leven en dood. Maar er dienen zich nieuwe maatschappelijke problemen aan. Mensen worden bijvoorbeeld steeds ouder, terwijl voor sommigen de kwaliteit van hun leven juist erg achteruit gaat.”

Eén van de argumenten van staatssecretaris Bussemaker tegen het door u verlangde onderzoek is dat de politiek in een kwestie als euthanasie niet voorop moet willen lopen.

„Dat ben ik met haar eens. Alleen: de politiek loopt helemaal niet voorop. Die loopt nu achter. Ik wil ook niet meteen de wet wijzigen. Maar ik wil wel dat het kabinet onderzoek mogelijk maakt.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />