*

 

OM eist 2,5 jaar cel voor doden tasjesdief

Hélène Butijn − 22/02/08, 00:00

Germaine C. is volgens justitie schuldig aan de dood van Ali el B, die haar tas had geroofd. Het belang van het bezit van een handtas staat niet in verhouding tot het belang van het leven van een mens.

Officier van Justitie S. Hoogerheide eist 2,5 jaar cel tegen Germaine C. Zij heeft volgens het Openbaar Ministerie op 17 januari 2005 niet doelbewust aangestuurd op de dood van de toen 19-jarige El B. Maar ze heeft wel willens en wetens de kans aanvaard en op de koop toe genomen dat de jongen om het leven zou komen, toen zij hard achteruitreed in de smalle Amsterdamse straat waar hij haar beroofde.

C. (46) stond die dag met haar auto stil om een voetganger te laten oversteken. El B. rukte haar autoportier open en griste haar tas weg. Hij reed weg, achterop bij een vriend op de scooter. C. reed hen, achteruit, na. Haar auto raakte de scooter. Een van de jongens werd gelanceerd en belandde in een portiek, de ander raakte bekneld tussen haar auto en een boom en overleed.

Natuurlijk ontstaan er hevige emoties bij iemand die plotsklaps wordt beroofd, erkent het OM. Als je er dan achteraan gaat om je tas terug te krijgen, spreekt dat zelfs van lef. Maar niemand mag daarbij ’levensgevaarlijke toeren’ uithalen zoals C. deed. Van slachtoffers van misdrijven wordt verwacht dat ze een ’verantwoorde keuze’ maken bij hun reactie en hun ’primaire emoties in goede banen leiden’. Verdedigen hoefde C. zich op dat moment ook niet meer: haar tas was immers al geroofd.

C. is woensdag aangehouden om er zeker van te zijn dat ze voor de rechters zou verschijnen. Advocaat C. Korvinus probeerde dat gisteren uit alle macht nog te voorkomen. Haar veiligheid is in het geding, betoogde hij, en ze is te getraumatiseerd. Zij voelt zich bedreigd en leeft voortdurend in doodsangst. Op advies van de politie verliet C. na de gebeurtenissen begin 2005 haar woning. Sindsdien logeert zij op steeds andere adressen en heeft ze geen werk. Concrete aanwijzingen voor recente bedreigingen zijn er niet, concludeert het OM.

De rechtbank vindt dat een zitting in principe openbaar moet zijn en gelastte C. inderdaad te komen. In de gespannen stilte van de rechtszaal prevelt C. van onder een roze hoofddoek aanvankelijk alleen: „Dit is nu al drie jaar gaande. Ik wil weg. Ik kan hier niet zitten. Ik kan het niet volhouden. Dit is onmenselijk. Hoe ver willen jullie gaan? Ik word achterna gejaagd als een crimineel. Ik wil naar huis.”

Een vriendelijke rechter weet haar toch tot wat antwoorden te bewegen. Ze zegt dat ze niet plankgas achteruit heeft gereden. „Het was een smalle straat. Je kunt daar niet hard rijden. Ik ben geen coureur.” Dat ze de twee jongens ineens niet meer zag.

Dat de auto een onverwachte draai maakte toen ze al sturend omkeek. „Ik hoorde boem, en mijn auto zat vast.” En dat een verklaring door de politie verkeerd is opgeschreven: ze had nooit de intentie de scooter ’aan te tikken’.

Volgens een psychologisch rapport heeft de vrouw een lichte persoonlijkheidsstoornis, met een ’gebrekkige frustratietolerantie’, een ’gebrekkig inschattingsvermogen’. Ook zou ze ’sociaal onverstoorbaar’ zijn. C. en haar advocaat weerspreken dat. Korvinus vraagt vrijspraak. De rechtbank doet over twee weken uitspraak.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />