De Turkse premier Erdogan sprak deze week tot zijn landgenoten in den vreemde. Hij raadde ze aan niet volledig te assimileren in hun nieuwe vaderland, maar hun eigen identiteit te bewaren en te koesteren.
Ibrahim Selman, sinds zesentwintig jaar in Nederland, kan juist de migranten zo ontzettend goed begrijpen die hun verleden willen uitwissen, elimineren. „De mens is in staat alles te doen om erbij te horen, bij zijn nieuwe landgenoten, bij zijn nieuwe land.”
De jongen groeide op in een Engels gezin, trouwde een Engelse vrouw, sprak uitsluitend Engels en kreeg op zijn veertigste een beroerte. Na die beroerte kon hij enkel nog Nederlands spreken. De Engelse taal verdween uit zijn hersencellen, voorgoed.
Dit verhaal hoorde ik ruim twintig jaar geleden van een Nederlandse journalist die de man met de beroerte kende. Toen ik het aan een oudere ex-vluchteling vertelde, net als ik afkomstig uit Iraaks Koerdistan, zuchtte hij diep en vertelde me een soortgelijk, hoewel veel ouder verhaal met één pregnant verschil; de man in zijn versie van het verhaal kon na een beroerte juist zijn moedertaal niet meer verstaan of spreken. Het speelde in de achttiende eeuw en het ging om een Koerdische ambtenaar die voor de Turken werkte, een periode dat het moderne Turkije nog lang niet bestond en Turkije het Ottomaanse rijk heette.
In al die jaren drongen deze twee verhalen zich regelmatig aan mij op, vooral als ik teleurgesteld raakte over wat er in mijn moederland gebeurde en ik geen begrip in mijn vaderland kon vinden. Ik verlangde dan wel eens naar een lichte beroerte waardoor ik een deel van mijn hersencellen kwijt zou raken, het deel waarin mijn gebondenheid aan en liefde voor beide landen opgeslagen was.
Je geheugen verliezen. Je verleden vergeten. Hoe erg is dat?
Een tijdje terug vroeg een programmamaker op televisie: „Kan een mens zonder verleden bestaan?” Het ging over een man die een deel van zijn geheugen kwijt was, dat deel waarin zijn verleden opgeslagen lag. De man zelf is verbitterd omdat niemand hem wil geloven en hij niet kan bewijzen wie hij is. Niemand zoekt hem, niemand mist hem, niemand kent hem, niemand herkent hem en niemand erkent hem. De man is een banneling die zeven jaar eerder langs een autoweg is gevonden. De programmamaker wilde weten of de man de waarheid vertelt, of dat hij een charlatan is. Hij interviewt diverse deskundigen. Het verhaal van de man zou waar kunnen zijn, want mensen met traumatische ervaringen kunnen zoiets meemaken, het overkomt ze, zo luidde het oordeel van de deskundigen.
De man die zichzelf niet kende werd aanvankelijk in een gevangenis gestopt, daarna in een asielzoekerscentrum. Een alleenstaande vrouw haalde hem in huis, en ging samen met hem op zoek naar zijn verleden. Als het waar is, zoals een deskundige beweert, dat je door traumatische ervaringen je geheugen kunt verliezen, waarom gaat deze weldoenster dan met hem zijn verleden oprakelen? Waarom gaan ze in vredesnaam op zoek naar dat trauma?
Toen ik ruim een kwarteeuw geleden als asielzoeker in Nederland aankwam, dacht ik dat ik het paradijs betrad. Geen oorlog, geen armoede, maar een zee van vrijheid. Als je kind bent en je nog niets aan het geloof en de goden hebt, dan geloof je in je vader, je moeder, je oudere broer of zus of een vriend die je bescherming biedt en de arm om je heen slaat. Maar ik was geen kind meer, ik had geen land, niemand.
In dit prachtige land was dat ook niet nodig. Nederland, dat als kapitalistisch te boek staat, lijkt de droom van het communisme bereikt te hebben, terwijl het democratisch wordt geregeerd met een symbolische rol voor de monarchie. Ideaal. Meningsverschillen horen natuurlijk bij een democratisch land, maar de mensen lossen dan pratend hun onenigheden op. Ik kon me meteen identificeren met Nederland, met de levensstijl en de democratie. Er was ruimhartigheid en iedereen profiteerde ervan.
Mijn informatie kreeg ik van landgenoten die al jaren eerder hier waren gekomen. Van hen hoorde ik voor het eerst het woord ’zwartwerken’. Ik dacht aan iemand die in een kolenmijn werkt en aan het eind van de dag helemaal zwart is van het roet. Ik vroeg of mijn idee klopte, maar ik werd hard uitgelachen. Een aantal van die mensen werkte zwart zonder zwart te worden, integendeel. Ze werkten zwart in de avonduren en overdag sliepen ze, dat maakte hun huid juist bleek.
Een man die niet de juiste contacten had om zwart te werken was jaloers, behoorlijk pissig zelfs en antwoordde op mijn vraag waarom hij het niet deed: „Ik heb het niet nodig.” Hij zweeg even en zuchtte vervolgens diep. „Maar die eikel, mijn beste vriend en kameraad, wordt miljonair door het zwartwerken. En ik kan niet meer dan driehonderd gulden per maand sparen, van mijn uitkering.”
Het verbaasde me dat mensen in staat waren een democratische regering te bedriegen. Toch bleef ik enthousiast en wilde ik iets terugdoen voor het land dat me opnam en me de vrijheid gaf.
Later, toen ik de taal begon te verstaan en ik beter op de gezichtsuitdrukkingen ging letten, verdampte mijn enthousiasme.
Ik zag koelheid, maar vooral onverschilligheid in de ogen van de bakker, de groenteboer, de buschauffeur. Ik zag meewarige blikken met een gemaakte glimlach. Ik raakte aan het twijfelen en er kwamen zelfs zwarte gedachten bij me op.
Mijn nieuwe vaderland was toch geen paradijs. En het geluk dat even om mij had heen gezweefd, pakte zijn koffers en vertrok. Mijn voorstelling van de goedheid van de mens kreeg een domper en ik besefte dat de geest van de mens fouten maakt. Lag het nou aan mij, aan mijn bewogen verleden? Of lag het aan de anderen?
Ik was niet gevlucht om aan mijn verleden te ontkomen, maar om het vege lijf te redden. Mijn verleden, waar ik trots op was, lag diep in mijn binnenste. Ik nam het mee om het een betere toekomst te bieden. Dat verleden was dramatisch, traumatisch zelfs, maar het was míjn drama, het was míjn trauma, ik vocht hiervoor als een verliefde, met gevaar voor eigen leven. Maar gaandeweg ging het me steeds meer in de weg staan.
Als ik kennismaakte met iemand stelde mijn verleden zich altijd als eerste voor en vormde zo een lastige hindernis tussen mij en de oorspronkelijke bewoners van het Nederlandse paradijs. Die zagen me niet meer als individu maar als onderdeel van een onaangenaam en opdringerig verleden.
Ik begon mijn soort mensen te begrijpen als ze hun verleden retoucheerden zodat het mooier leek, als ze logen.
Ik begrijp mensen die helemaal niets meer met hun verleden te maken willen hebben, die hun verleden willen bestrijden of elimineren. De mens is in staat alles te doen om erbij te horen, bij zijn nieuwe landgenoten, bij zijn nieuwe land. Maar wat gebeurt er als hij afgewezen wordt?
Sommigen zullen verbitterd raken en zich misschien isoleren. Anderen zullen er overheen stappen, de bittere pil slikken en hun schouders ophalen. Weer anderen zullen wraakgevoelens koesteren – zoals de dichter die zei: „Als ik van dorst dood ga/ laat na mij geen druppel water vallen.”
Deze laatste soort is in staat extremist te worden. Die wijst dan alles in het nieuwe land af en wil zelfs de toekomst van dit land bepalen, daarvan een evenbeeld maken van het verleden of een ideaalbeeld van zijn eigen land.
Tussen deze soorten staan natuurlijk de gematigde mensen. Zij vormen de meerderheid: de mensen die hun verleden helemaal niet kwijt willen, maar die juist openstaan voor de toekomst.
De geschiedenis van de mensheid is met het verhaal van Adam en Eva begonnen met een conflict en een eeuwigdurende verbanning.
Vóór het ontstaan van de Heilige Boeken naar het woord van die ene God, creëerde de mens meerdere goden. De Arabieren in het huidige Saoedi-Arabië maakten, voor de profeet Mohammed met zijn openbaring kwam, hun goden uit dadels. Het waren zoete goden die seks en drank toestonden. Het waren goden die zich ook lieten opeten als hun onderdanen dat wensten. Een god die jou wil plezieren is toch een opperaltruïst?
Zulke meegaande en democratische goden bestaan allang niet meer. De diverse heilige boeken, die akelig veel op elkaar lijken, spreken van de onzichtbare, abstracte, ondefinieerbare, absoluut almachtige, alleenheersende en mysterieuze God, die naast zich geen andere goden duldt. Die God zou de wereld in zes dagen hebben geschapen. Hij zou zich verveeld hebben tussen alleen maar engelen. Hij creëerde daarom een poppetje uit klei naar zijn evenbeeld en gaf zijn engelen het bevel om voor het poppetje te buigen. Maar de opperengel zou dat geweigerd hebben.
Dan begint er een spelletje tussen God en zijn opperengel, over het hoofd van het poppetje heen – dat een rib moest afstaan om er een sekspoppetje voor terug te krijgen. Verveling en eenzaamheid kunnen zelfs de absoluut Almachtige tot kinderachtigheid drijven. En alsof dat niet genoeg was gaf Hij zijn opperengel de gelegenheid om de twee poppetjes te misleiden en hen te verbannen uit het paradijs.
Zou de ondefinieerbare God zich werkelijk hebben verveeld en eenzaam hebben gevoeld? Was Hij, met al zijn macht, niet in staat geweest om zijn opperengel te overtuigen van de noodzaak óf de onbenulligheid van zijn kleicreatie? Waarom liet Hij Adam en Eva aan hun lot over zonder cursus of opleiding? Waarom waarschuwde Hij ze niet voor zijn opperengel? En het ergste: waarom verbande Hij het echtpaar uit het paradijs? Kon Hij zijn engel niet straffen in plaats van de machteloze mensen? Waarom liet Hij zijn opperengel de mensheid buiten het paradijs constant verder misleiden?
Volgens het scheppingsverhaal is de mens a priori een banneling, uitgestoten door God met behulp van de duivel. Hij wordt geboren uit de drift van een ander en kan zijn einde, zijn sterven, niet verhinderen. De mens krijgt tijdelijk de kans om op de aarde te leven. Vanaf zijn geboorte begint er een onophoudelijk proces waarin zijn omgeving – geboorteplaats, normen en waarden, taal en religie – hem vormt. Ongeacht waar de mens geboren en getogen is, heeft hij bepaalde aangeboren eigenschapen, zoals het verlangen om grenzen te overschrijden, om van verboden vruchten te eten.
Was het een straf of een beloning dat Adam en Eva naar de aarde werden verbannen? Het is maar hoe en met welke ogen je het bekijkt. Sinds het ontstaan van de mensheid bestaat de zucht naar reizen, emigreren, vluchten, want het gras is altijd groener bij de buren. Het is niet zonder consequenties. Als je verbannen wordt, zelf vlucht of om welke reden dan ook je van je geboorteland losrukt, en een nieuwe identiteit aanneemt, krijg je te maken met beperkingen, waardoor je teruggeworpen wordt op je oorsprong.
Er zijn er die van hun verleden een springplank maken, anderen verdrinken erin als in drijfzand. Ook als je het praktisch aanpakt en je niets van het land van herkomst meer wilt aantrekken, zullen er dingen opduiken die je in het verleden terugwerpen.
In de eerste plaats zal je omgeving op je oorsprong reageren – een oorsprong die zich openbaart in het uiterlijk, in taalgebruik en cultuurgewoonten. En er is het eigen innerlijk, waarvan het verleden een essentieel deel in beslag neemt. Dat verleden is vaak het enige deel dat anderen benadrukken – voor de migrant meestal een kwelling.
Het verleden vormt voor ontheemden soms een rots, soms een onoverbrugbare kloof. Het kan geluk belemmeren. Dat wil niet zeggen dat afkomst en een onplezierig verleden altijd in de weg staan. Het hangt ook af van de kracht van het individu. Een zwart verleden kan zorgen voor doorzettingsvermogen en doelgerichtheid. Denk aan de weeskinderen en paria’s die later belangrijke posities hebben bereikt. Er zijn er zelfs die staatshoofd zijn geworden.
Mensen met een bewogen verleden staan meestal open voor avontuur. Ze nemen graag risico’s op weg naar het onbekende doel. Ze hebben als het ware een andere voorstelling van de wereld.
Deze voorstelling is vaak realistisch, omdat ze is gebaseerd op méér ervaringen dan alleen die van een veilige en respectabele opvoeding.
In de ogen van mensen met zo’n bewogen geschiedenis die naar Nederland kwamen, lijkt de politiek in het paradijs dat ze hier aantreffen dikwijls meegaand, naïef. Er bestaat hier een zwak voor het andere, ook voor het extreme. Daarom krijgt het extremisme, dat zich soms onder sluiers vermomt, de gelegenheid een rol te spelen in het politieke en sociale klimaat van dit land. Zo worden imams betrokken bij het oplossen van problemen met Marokkaanse jongeren.
Als ik mijn geheugen zou verliezen, inclusief de zesentwintig jaar die ik doorbracht in het paradijselijke Nederland, zou ik zeker niet treuren.
Ibrahim Selman is schrijver en acteur. Vorig jaar verscheen van hem ’Dapper hart gezocht. Notities van een gevluchte Iraakse Koerd’. Meulenhoff, Amsterdam. ISBN 9789029079174; euro 16,50.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.