Vier maanden hield de film Fitna Nederland en, op bescheidener schaal, de islamitische wereld in de ban. Pers en politiek speculeerden over de inhoud en het effect van de film. Geert Wilders hoefde verder weinig te doen. Een terugblik.
Al in de jaren negentig dient hij, nog lid van de VVD-fractie en buitenlandwoordvoerder van de liberalen, een motie in: hij vraagt het kabinet in kaart te brengen wat de bedreigingen voor Nederland kunnen zijn van de radicale islam. De motie wordt aangenomen. De twee vliegtuigen, die zich in het World Trade Center boorden, zijn voor hem niet meer dan een bevestiging van wat niet eens een bang vermoeden was.
Wilders bevindt zich dan nog in de hoofdstroom van de VVD. Nergens valt uit op te maken dat hij binnen de kortste keren uit de fractie zou kunnen worden gezet. Wilders is een hardwerkend, degelijk Kamerlid met, vooral, een wel erg grote voorliefde voor Israël.
De opkomst van Pim Fortuyn en de constatering dat de onderstroom van ontevredenheid in Nederland een uitweg zoekt, doet de politieke opstelling van Wilders beslissend kantelen. In zijn nieuwe fractiegenoot Ayaan Hirsi Ali vindt Wilders een ideologische inspirator voor zijn radicalisering. Samen met haar kondigt hij de liberale djihad tegen de islam aan.
Tegelijkertijd ergert hij zich meer en meer aan het uitblijven van een inhoudelijk antwoord van de VVD op het Fortuynisme. Wilders ziet daar een kans voor zijn partij, maar krijgt geen voet aan de grond bij, eerst, Hans Dijkstal en, later, Jozias van Aartsen. Langzaam maar gestaag ontstaat de breuk met zijn liberale partijgenoten. Een breuk die definitief wordt als Van Aartsen hem in september 2004 niet een eigen, afwijkend standpunt gunt rond een lidmaatschap van de Europese Unie voor Turkije.
Vanaf dat moment gaat het snel met Wilders. Zijn standpunten worden steeds radicaler en hij krijgt ruimschoots de tijd om een organisatie uit de grond te stampen die hem bij de eerstvolgende verkiezingen een eigen plek in het parlement moet garanderen.
De islamisering van Nederland is sindsdien het thema van Wilders. Al ruim voor de verkiezingen pleit Wilders voor het schrappen van artikel 1 van de Grondwet, het opheffen van islamitische scholen, het sluiten van moskeeën en het stopzetten van de immigratie uit islamitische landen. Het worden de centrale elementen in zijn verkiezingsprogramma.
Wilders domineert de debatten in de Tweede Kamer. Hij is daarbij niet bang de grenzen van het parlementaire fatsoen op te zoeken.
Wilders en de acht andere PVV’ers volgen een vast patroon. Allereerst maken ze duidelijk: het staat buiten kijf dat de islam en de toenemende invloed van deze stroming in Nederland, een groot gevaar vormen. Vervolgens wordt de politieke tegenstander met een etiket terzijde geschoven.
Die tegenstander is meestal ’laf’, vaak ’blind’ en soms ’knettergek’. Bij die kwalificatie blijft het vervolgens. Elke poging tot debatteren van andere Kamerleden ketst af op een muur van zwijgen.
De politiek, de media en (wellicht als gevolg daarvan) de publieke opinie raken gaandeweg in de ban van Wilders. Vooral bij het Kamerdebat over het vermeende gebrek aan loyaliteit aan Nederland van staatssecretarissen met een dubbele nationaliteit – Albayrak en Aboutaleb. En bij het debat over de uitspraak van minister Vogelaar dat ook de Nederlandse cultuur zal putten uit islamitische tradities. De Kamer staat erbij en kijkt er naar. Wilders in de aanval, de verdediging oogt weinig zelfverzekerd.
De opbouw van de spanning rond Fitna lijkt, achteraf beschouwd, zorgvuldig door Wilders geregisseerd. Al in februari van het vorig jaar stelt hij in een interview dat de helft van de Koran zo kan worden weggegooid. Een uitspraak die massale publiciteit krijgt en voor de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) aanleiding is voor een ernstig gesprek met Wilders.
Het gesprek wordt door de PVV-fractievoorzitter vakkundig uitgebuit. Of hij – zoals minister Hirsch Ballin van justitie beweerde – vooraf beloofd had het gesprek geheim te houden, of niet, is nauwelijks relevant. Wilders weet het beeld neer te zetten dat de Nederlandse overheid te bang is om de waarheid onder ogen te zien en iedereen monddood tracht te maken die die waarheid wel wenst te ventileren.
In augustus 2007 volgt een artikel in de Volkskrant, waarin hij pleit voor een verbod van de Koran. Het centrale boek van de islam zou net als ’Mein Kampf’ van Hitler oproepen tot geweld. ’Mein Kampf’ is verboden in Nederland, dus dat verbod zou ook moeten gelden voor de Koran, aldus de redenering van Wilders. Opnieuw is Nederland in rep en roer. Verbieden of de Koran terugbrengen tot het formaat van de Donald Duck, luidt de gedachte van Wilders. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat heel Nederland op het puntje zijn stoel zit als hij – eind november – via De Telegraaf laat weten bezig te zijn met een anti-islamfilm.
Nederland heeft inmiddels ervaring met een film over de islam. Submission kostte de cineast Theo van Gogh het leven. De film bevatte voor moslims godslasterlijke elementen: Koranteksten, geprojecteerd op vrouwenlichamen. Onmiddellijk is de vraag of Wilders in zijn film de daad bij het woord zal voegen en de Koran in het vuur gooit, dan wel pagina’s uit het heilige boek scheurt.
Na de aankondiging kan Wilders, bij wijze van spreken, een aantal maanden achterover leunen. De kwestie – wat staat er in de film? – krijgt zijn eigen dynamiek. Pers en politiek kennen sinds november geen ander onderwerp meer om over te discussiëren en te speculeren. Kranten staan bol van suggestieve verhalen en vermeend nieuws over, of naar aanleiding van de film. De auteur van de film regisseert de hype door vrijwel niets te doen.
Het kabinet helpt ook driftig mee. Al eind november waarschuwt minster Hirsch Ballin Wilders voor mogelijke strafrechtelijke gevolgen van de film voor de politicus. De ministers Ter Horst (binnenlandse zaken) en Verhagen (buitenlandse zaken) laten weten zich zorgen te maken over mogelijke gevolgen van de film in binnen- en buitenland. Ambassades worden voorbereid en ook de burgemeesters worden per brief gewaarschuwd.
CDA-prominent Doekle Terpstra is Wilders ter wille door zich in een opiniestuk in Trouw af te vragen waar de verontwaardigde reacties uit het land blijven. Vlak na de jaarwisseling publiceert deze krant een advertentie van Terpstra en medestanders onder de noemer ’Benoemen en Bouwen’. Het houdt de discussie over Wilders’ film levend.
Dat Wilders helemaal niets hoeft te doen om het vuur brandende te houden, is niet helemaal waar. Zodra zijn film in de publiciteit iets naar de achtergrond dreigt te verdwijnen, bedient hij een krant met een snipper en laait het vuur weer onmiddellijk in al zijn heftigheid op. Zo laat Wilders uitlekken dat hij met actualiteitenrubriek Nova onderhandelt over uitzending van de film. De Telegraaf krijgt even later een shot van het begin van de film. De kranten die zijn aangesloten bij de Geassocieerde Persdienst mogen tenslotte als eerste melden dat de film Fitna zal heten, het Arabische woord voor beproeving en kan het volk trots mededelen dat aan het einde een afbeelding van de profeet Mohammed te zien zal zijn.
De moeizame gang van zaken rond de publicatie van de film – omroepen willen niet aan zijn voorwaarden voldoen, het perscentrum Nieuwspoort wenst dat hij alle beveiligingskosten op zich neemt, een Amerikaanse provider geeft eerst wel toestemming tot publicatie op het internet en later weer niet – is voor Wilders vanuit public relations-oogpunt een geschenk uit de hemel.
En datzelfde geldt voor de ongelukkige actie van de CDA-top om minister Verhagen voor de televisiecamera van ’Nova’ Wilders te laten oproepen af te zien van de film. Opnieuw kan hij daarmee het beeld versterken dat het kabinet ervoor kiest de andere kant op te kijken, toe te geven aan de druk van radicale moslims, en Wilders in de kou laat staan met zijn gerechtvaardigde strijd. De actie van Verhagen zorgt ervoor dat het kabinet de dag erop, 29 februari, met een verklaring komt. Die is minder stellig dan Verhagen aanvankelijk was, maar heel de wereld luistert naar premier Balkenende, die vreest voor aanslagen en boycots.
Nu de film eindelijk verschenen is en, verhoudingsgewijs, minder heftig is uitgevallen, is de vraag gerechtvaardigd of alle opwinding terecht was. Met wijsheid achteraf vangt men niet veel aan, maar toch dient de constatering te zijn dat alle heisa over de film meer commotie in Nederland en de rest van de wereld teweeg bracht dan de film zelf. Tot nu toe is Wilders zijn politieke tegenstanders met gemak de baas.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.