*

 

wilders / Een filmpje van twaalf minuten

Gelijn Molier − 23/02/08, 02:16

Wat de Koran-film van Geert Wilders precies behelst, is nog onbekend. Maar angst voor de woede van moslimzijde, maakt dat menigeen wil morrelen aan de vrijheid van meningsuiting. Volgens rechtsfilosoof Gelijn Molier kan het gedachtengoed van John Stuart Mill (1806-1873) uitkomst brengen.

In de discussie over het al dan niet verbieden van de Koran-film van Geert Wilders zijn twee kampen te onderscheiden.

De principiëlen zien de vrijheid van meningsuiting als een fundamenteel recht van de liberale, democratische rechtsstaat. Ongeacht de aard, inhoud en toon moet iedereen kunnen zeggen, schrijven of filmen wat hij wil. Is er sprake van belediging, aanzetten tot haat of oproepen tot geweld dan staat de strafrechtelijke weg open. Maar dit is altijd achteraf. Het censuurverbod is absoluut.

Daartegenover staat het pragmatische kamp. Dat vindt de vrijheid van meningsuiting eveneens een groot goed, maar niet ten koste van elke prijs. Als die met zich mee brengt dat andere rechten geschonden worden, dan moet je de vrije meningsuiting beperken. Als je moet kiezen tussen de openbare veiligheid en het recht op vrije meningsuiting, dan weegt het collectieve belang zwaarder dan het individuele.

Het is het standpunt dat Rob de Wijk in Trouw verdedigde. Ook de vijf prominente moslims die in NRC Handelsblad premier Balkenende maanden om grenzen te stellen aan Wilders, gebruikten deze argumentatie. In dezelfde categorie valt het verzoek van Iran aan minister Hirsch Ballin om de film van Wilders te verbieden; de film kan volgens de Iraniërs leiden tot ’sociale onrust’ omdat hij de rechten schendt van moslims voor wie de Koran een heilig boek is.

Intussen zit de Nederlandse regering in een politieke spagaat, en Wilders in een win-winsituatie. Als ze de film verbiedt, zou Wilders dat zien als een bewijs dat Nederland zwicht voor de islam. Als de film wordt uitgezonden en er breken rellen uit, dan bewijst dat Wilders’ stelling dat de islam een intolerante religie is. Is er een uitweg uit dit dilemma mogelijk?

Een principiëlere discussie over de grondslagen van de vrijheid van meningsuiting kan wellicht uitkomst bieden. Een van de vurigste pleidooien voor de vrijheid van meningsuiting is te lezen in John Stuart Mill’s ’On Liberty’ (1859). Meteen al aan het begin van het tweede hoofdstuk wordt de toon gezet: „Als de gehele mensheid met één uitzondering dezelfde mening had, terwijl die ene persoon een tegengestelde opvatting koesterde, dan zou de mensheid even weinig recht hebben om die ene persoon tot zwijgen te brengen dan hij zou hebben om de mensheid het zwijgen op te leggen als hij de macht had. [...] Het bijzondere kwaad van de onderdrukking van de meningsuiting is dat daardoor de mensheid iets ontnomen wordt; het nageslacht evengoed als de huidige generatie; de mensen die zich tegen deze mening verzetten nog meer dan de aanhangers daarvan.”

Volgens Mill leert de geschiedenis dat juist mensen die claimden uit naam der waarheid te spreken of te handelen, achteraf bleken te dwalen. Juist inzake de waarheid is bescheidenheid op haar plaats. De waarheid is gebaat bij kritiek. Daarop berust het hele principe van wetenschappelijke vooruitgang.

In de kwestie-Wilders gaat het niet zozeer om de waarheid in wetenschappelijke zin maar om een religie. Religie is een kwestie van geloof, dus waarheidsvinding speelt hier, zou je kunnen zeggen, per definitie geen rol. Maar de religie zelf leert dat het hier wél om waarheid gaat. En deze ’geloofswaarheid’ is in termen van Mill evenzeer feilbaar als iedere andere waarheid. De mogelijkheid dat religiekritiek kan bijdragen aan een groter inzicht, is op zichzelf al voldoende om haar niet te verbieden.

Uiterst actueel is het vervolg van Mill’s betoog, waarin hij stelt dat zijn tijdgenoten blijkbaar niet bijzonder overtuigd zijn van de waarheid van hun opvattingen. Ze baseren het recht om een (geloofs)opvatting te beschermen daarom niet langer op de waarheid, maar op het nut daarvan voor de samenleving. Soms kan het in hun ogen nuttig zijn om kritiek op algemeen aanvaarde (geloofs)opvattingen te verbieden – niet omwille van de waarheid maar omwille van de lieve vrede. De overheid beroept zich dan op het algemeen belang of de openbare orde.

Toegepast op Wilders’ film: de daarin geuite religiekritiek kan weliswaar waar of terecht zijn, maar dat vinden we als overheid niet relevant. Waar het om gaat is of die kritiek nuttig is voor de samenleving als geheel. Wanneer zij niet nuttig maar schadelijk is, dienen we haar te verbieden.

Volgens Mill verplaatst deze redenering het probleem. Zoals de overheid niet onfeilbaar is inzake de waarheid, is zij dat evenmin inzake de vraag of iets nuttig of schadelijk is voor de samenleving. „Het nut van een opvatting is zelf een kwestie van opvatting; even betwistbaar, even vatbaar voor twijfel, en evenzeer discussie vereisend, als die opvatting zelf.” Nut of schade voor de samenleving mogen dus geen rol spelen.

Zelfs als je stellig overtuigd bent van de verderfelijke gevolgen, de onzedelijkheid of goddeloosheid van een opvatting, en zelfs als je daarvoor steun vindt bij de publieke opinie, dan nog dien je die opvatting volgens Mill toe te staan. Sterker nog: juist dan. Want de kans op vergissingen en het gevaar voor slachtoffers is juist in deze gevallen het grootst. Maatschappelijk belang, goddeloosheid of zedeloosheid kunnen, kortom, nooit een argument zijn om een meningsuiting te verbieden.

Kan ’de toon’ van een mening dat wel zijn? Mag je je opinies alleen op gematigde wijze uiten? Volgens Mill is het onmogelijk om vast te stellen waar de grenzen liggen. Stel dat het criterium luidt dat je geen aanstoot mag geven. Dit criterium zou geen soelaas bieden, aangezien een overtuigende en krachtige verbale aanval vrijwel altijd als aanstootgevend en onredelijk zal worden aangemerkt.

Maar Mill zag nog een fundamenteler bezwaar. De wijze waarop een opvatting verdedigd wordt, kan volgens hem inderdaad verwerpelijk zijn. Punt is alleen dat een verbod op onfatsoenlijke uitingen vrijwel altijd van stal wordt gehaald voor iemand die tegen de gevestigde opinies ingaat. Tegen aanhangers van het minderheidsstandpunt kun je rustig schelden en je onverdraagzaam uitlaten, aangezien je je gedekt weet door de sympathie van de (zwijgende) meerderheid. De enkeling daarentegen moet vrezen voor zijn veiligheid als hij hiertoe zijn toevlucht neemt, juist omdat hij de steun van de publieke opinie ontbeert. (Zie de demonisering van Pim Fortuyn, met alle fatale gevolgen van dien.) De toon van een mening kan dus evenmin een reden zijn voor een verbod.

Is de vrijheid van meningsuiting bij Mill dan onbeperkt? Nee, dat is zij niet. Hij maakt één voorbehoud. Als de omstandigheden zodanig zijn dat geventileerde opvattingen leiden tot misdadige handelingen, dan zijn zelfs meningen niet langer onaantastbaar.

Mill geeft het voorbeeld van de graanhandelaren. Als de kranten schrijven dat graanhandelaren de armen uithongeren, moet dat ongehinderd kunnen. Maar op het moment dat je dezelfde opvatting uit in een toespraak voor een woedende menigte die zich voor het huis van een graanhandelaar heeft verzameld, dan dien je bestraft te worden.

En dan formuleert Mill zijn criterium: handelingen die zonder rechtmatige redenen anderen kwaad berokkenen, kunnen en moeten zo nodig door actief ingrijpen beteugeld worden.

Het probleem met de film van Wilders is nu dat we niet weten of de situatie van de graanhandelaar hier geldt. Alle scenario’s over betogingen, rellen, gewonden en doden hebben een hoog speculatief gehalte. Extra complicerend hierbij is dat de nationale en de internationale context op dit moment volledig door elkaar lopen. Maar mogelijke negatieve gevolgen kunnen geen argument zijn om grondrechten aan de kant te zetten: dat zou een premie zetten op het creëren van een sfeer van angst en terreur. Al helemaal niet wanneer dit gebeurt na dreigende taal uit het buitenland – zie de toespraak van de groot-moefti uit Syrië die bloedvergieten in het vooruitzicht stelde.

Alleen als er concrete aanwijzingen zijn dat de openbare orde in Nederland verstoord zal worden en er onvoldoende politie is om de situatie in goede banen te leiden (bestuurlijke overmachtsituatie), dan kunnen grondrechten tijdelijk worden opgeschort. Aangezien dit in dit geval onmogelijk valt aan te tonen, dient de film niet te worden verboden.

Wel is het van groot belang dat premier Balkenende uitspreekt dat ook het geven van onwelgevallige meningen behoort tot een essentieel principe van de democratische rechtsstaat. Dat dit in een open samenleving te allen tijde verdedigd dient te worden. Dat tegelijkertijd moslims onder alle omstandigheden door de Nederlandse staat beschermd zullen worden. En dat zij op hun beurt hun grondwettelijke rechten kunnen inzetten om Wilders op alle mogelijke manieren verbaal te bestrijden. Door hem zelfbewust met argumenten van repliek te dienen, en door te wijzen op zijn drogredenen en valse vergelijkingen, kunnen moslims tevens zijn project tot normale proporties terugbrengen: een twaalf minuten durend filmpje over de Koran.

Mr.dr. Gelijn Molier is universitair docent bij de afdeling encyclopedie en rechtsfilosofie aan de rechtenfaculteit van de Universiteit Leiden.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />