*

 

Een stille revolutie op de basisschool

19/06/08, 00:39

De klassikale les op de basisschool wordt steeds vaker vervangen door een lesvorm die zich richt op het individuele kind. Maar ’vernieuwend leren’ is zeker niet hetzelfde als ’het nieuwe leren’.

Hevida (7) uit groep 3 van basisschool La Res uit Enschede pakt een houten blokje uit het vakje onder haar tafeltje en zet de kant met de groene stip boven. „Dat is mijn lievelingskleur”, zegt ze. „Ik ben een beetje een kletskous en groen betekent dat je samen mag werken, dat vind ik het leukst.”

Tegenover haar knikt de even oude Kaylee instemmend. „Wij lijken erg op elkaar, want wij zijn beste vriendinnen”, vervolgt Hevida. Kaylee is het daar ook mee eens. De meisjes zitten in een groepje van vijf en maken een werkje. Ze schrijven met vulpen antwoorden in een werkboek.

Het blokje –een soort grote dobbelsteen– kent ook een rode stip. Die vinden de meisjes minder: dan wil je niet samenwerken. Kaylee laat de derde keuze zien: een vraagteken. „Voor als we niet goed weten hoe het moet, dan komt de juf het uitleggen.” Maar meestal, zeggen de meisjes, werken ze zelfstandig.

Hoe dat werkt, laat juf Sharda Soerdjpal, even verderop in groep 8, zien. Kort meldt zij deze ochtend voor de klas waar de leerlingen mee aan de slag gaan: eerst taal. Daarop gaat iedere leerling zelf aan het werk.

Soerdjpal kiest vervolgens een groepje kinderen uit dat ongeveer even ver is en dus dezelfde uitleg behoeft. Ze nemen plaats rond de instructietafel in het midden van de klas, waar de juf hen zachtjes lesgeeft. Af en toe loopt ze door de klas en helpt wie een blokje met een vraagteken naar boven op zijn tafeltje heeft gezet.

Het systeem is niet voor alle kinderen gemakkelijk, erkent de juf. „Ze moeten kunnen omgaan met uitgestelde aandacht. Als kinderen van huis uit alle aandacht krijgen en dat gewend zijn, dan is dit lastig voor ze. Maar de meesten kunnen het heel goed aan, hoor. Ze worden er veel zelfstandiger van.”

Dat is ook precies de bedoeling, maakt directeur Monique Rosens van deze openbare basisschool in Enschede even later duidelijk. Op haar kantoortje praat zij vol vuur over de onderwijsvernieuwingen die hier sinds 2000 zijn doorgevoerd.

De behoefte om het onderwijs om te gooien kwam van de leerkrachten, vertelt Rosens. De oude manier van lesgeven, waarbij de juf of meester voor de hele klas de stof uitlegde en de kinderen daarna liet oefenen, werkte niet meer.

Die klassikale aanpak gaat namelijk uit van de gemiddelde leerling, legt zij uit. Er is altijd een groep die verder is dan het gemiddelde en er is een groep die minder ver is. Die verschillende niveaus van de leerlingen maakten dat de leerkrachten voelden dat hun onderwijs beter zou kunnen, als ze daar beter op zouden inspelen.

Daarmee is basisschool La Res zeker geen uitzondering, blijkt uit recent onderzoek van het ITS, onderzoeksinstelling van de Radboud Universiteit Nijmegen. Een op de vijf basisscholen heeft inmiddels het roer drastisch omgegooid naar wat in het jargon wel ’vernieuwend leren’ of ’het nieuwe leren’ wordt genoemd. Een stille revolutie, volgens onderzoeker Frederik Smit. „Er is echt iets leuks gaande op deze scholen, een nieuw elan, ouders en leerkrachten zijn enthousiast.”

Het team van basisschool La Res koos in 2000 voor de cursus ’zin in leren’ van onderwijsadviesbureau CPS uit Amersfoort om het eigen onderwijs te vernieuwen. Vier jaar lang werden de leerkrachten getraind in zogenoemd adaptief onderwijs, dat veel meer is afgestemd op de individuele leerling.

Zelfstandig werken staat nu voorop, zegt directeur Rosens. Maar zij wil wel graag gezegd hebben dat het vernieuwende onderwijs op haar school iets heel anders is dan het nieuwe leren. „Wat wij doen is níet het nieuwe leren. Bij het nieuwe leren bepalen kinderen zélf wat ze leren. Daar is bij ons geen sprake van. Wat wij doen, past geheel in de agenda van staatssecretaris Dijksma van onderwijs. De kinderen leren dezelfde basisvaardigheden lezen-taal-rekenen als vroeger, maar wel op een vernieuwende manier.”

Ook lector Anje Ros van de Fontys Hogescholen ziet het basisonderwijs sterk veranderen. „Heel veel basisscholen hebben de afgelopen jaren gemerkt dat het onderwijs beter afgestemd moet worden op de behoeften van de leerlingen.”

Dat komt weer doordat de diagnostiek veel beter is geworden, stelt zij. Vroeger had je leerlingen die wat langzamer of wat lastiger waren dan anderen, maar dat liet je maar zo. „Het is tegenwoordig veel eerder duidelijk of een kind dyslectisch is, ADHD heeft of hoogbegaafd is.”

Ouders verwachten dat de school ingaat op de specifieke behoeften van hun kind. Leerkrachten die met het oude onderwijs nog uitgaan van de gemiddelde leerling, voelen zich tekortschieten, tegenover de ouders en tegenover de leerlingen.

Dat heeft een beweging op gang gebracht, stelt Ros. „Maar dat betekent niet dat kinderen nu onbegeleid doen waar ze zin in hebben. Wel dat ze steeds meer zelfstandig op hun eigen niveau kunnen werken.”

Een goede ontwikkeling, denkt zij. Er zijn wel degelijk wetenschappelijke bewijzen, stelt zij, dat bijvoorbeeld de hersenontwikkeling bij kinderen verschillend verloopt. Dat betekent dat het ene kind sneller aan lezen toe is dan het andere. „Het is in het belang van het kind dat het onderwijs daarop inspeelt.”

La Res kijkt intussen verder: nu naar mogelijkheden om het vak wereldoriëntatie interessanter te maken voor de leerlingen. Daarvoor hoopt de school eind dit jaar het certificaat ’meervoudige intelligentie’ te behalen. Volgens deze theorie heb je verschillende typen kinderen en bij ieder type past een andere manier om de stof te kunnen verwerken, legt directeur Rosens uit.

Zo is er het muzikale kind: dat kan goed een rap bedenken na een les over het weer en het klimaat. Is een kind juist sterk taalgericht, dan kan hij beter een stukje voor de schoolkrant schrijven over zo’n onderwerp. Rosens: „De theorie wordt eerst aangeboden en daarna kunnen leerlingen die verwerken op een manier die bij ze past.”

Lector Anje Ros ziet dit veel gebeuren op vernieuwende scholen: er komt ook meer variatie in de manier waarop de stof geleerd wordt. „Ze gaan op de computer achterin de klas zelf wat opzoeken of ze doen proefjes. Ze maken een flyer voor de bakker om de hoek, ze bouwen een model. Dat geeft meer betekenis aan de stof en daardoor leren de kinderen inderdaad beter.”

Tijmen uit groep 3 zit in een groepje dat elke donderdagochtend bijzondere activiteiten doet om de stof te verwerken. Maar zelf heeft hij dat nog niet door, blijkt uit zijn uitleg. „Op donderdag gaan we knutselen”, zegt hij.

Geweldig dat hij het niet als een leeropdracht ervaart, vindt zijn directeur. En ze is helemaal tevreden als Tijmen een voorbeeld geeft. „We bouwen bijvoorbeeld een tol, die moet je in evenwicht houden, dat is best moeilijk.” Ongemerkt heeft hij begrepen wat evenwicht inhoudt.

Tijmen zelf blijft een 7-jarige, druk met zijn eigen agenda en nog onwetend van certificaten over meervoudige intelligentie. „Deze donderdag wordt het extra leuk”, zegt hij vertrouwelijk. „Dan is mijn vader jarig.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />