*

 

’Voor zo’n filmpje hoef ik de straat niet op’

Perdiep Ramesar − 31/03/08, 01:22

Zijn ouders vreesden dat Hicham Hashmi na het zien van de film ’Fitna’ van Geert Wilders zou gaan rellen. Maar Hicham vindt de film een grapje. Grootvader Habib echter voelt de film als verraad.

Habib Hashmi (69) buigt zijn grijze hoofd, hij sluit zijn ogen en prevelt een kort gebed. De oude vrome Marokkaanse moslim wil de film Fitna van Geert Wilders eigenlijk helemaal niet zien. „Mijn geloof dwingt mij om de film wel te bekijken, want ik mag niet zomaar over iets of iemand oordelen, zonder te weten waar het over gaat. Ik moet deze beelden zien, maar ik kan mijn oogleden niet bedwingen mijn ogen te sluiten, zo gruwelijk zijn ze.”

Hij ziet de beelden van de vliegtuigen die in het New Yorkse World Trade Center vliegen, de verbrande lijken na de aanslagen in Madrid, de door explosies uiteengereten bus in Londen, de imams die oproepen tot geweld. Ook ziet hij de verzen uit zijn koran die daaraan worden gekoppeld. Habib schudt zijn hoofd, steekt zijn handen in de lucht op ooghoogte en vraagt Allah kracht om deze film uit te kijken.

De voormalige gastarbeider in een steenfabriek (’je bent bouwkundige? Dan heb je verstand van stenen. Hier heb je pallets vol, sjouw die maar naar de truck’, zei men destijds tegen hem) kijkt in Amsterdam-Slotervaart, waar hij bij z’n zoon inwoont, naar het computerscherm van zijn kleinzoon. Hicham, achttien, kijkt samen met zijn grootvader naar de langverwachte en door velen gevreesde film van Geert Wilders.

In oktober en november vorig jaar publiceerde Trouw twee artikelen over de familie Hashmi en (klein)zoon Hicham. Hij wordt door zijn ouders en grootvader gezien als een probleemjongen, vergelijkbaar met Bilal B. die in oktober werd doodgeschoten nadat hij op het politiebureau op het August Allebéplein in datzelfde Slotervaart twee politiemensen neerstak: psychische problemen, agressief, delinquent en vervreemd van zijn familie en de wereld.

Sinds de rust in Amsterdam-West weerkeerde en hij besefte dat hij zijn familie veel verdriet aandeed, doet Hicham zijn best om in het gareel te blijven. Inmiddels werkt hij in de garage waar zijn vader ook werkt en wil Hicham cursussen volgen om, net als zijn vader, automonteur te worden. Toch is er in het gezin Hashmi nog geen honderd procent vertrouwen in hem.

Toen enkele maanden geleden bekend werd dat Wilders een film maakte waaruit zou blijken dat de islam een fascistische ideologie is, sloeg dat bij de familie Hashmi in als een bom. Niet zozeer om wat er in de wereld zal gebeuren, ook niet direct omdat hun geloof zou worden bekritiseerd, ’want wij hebben wel iets anders aan ons hoofd’. Maar inderdaad wegens de zorg voor het middelste kleinkind van Habib.

„We waren bang dat hij weer met verkeerde vrienden of onder invloed van drugs of drank de straat op zou gaan om rellen te schoppen wanneer hij de film zou zien”, zegt opa Habib. „De film van Wilders zou, ook al zien ze die niet eens, de jongeren een reden kunnen geven om te willen vechten.”

Maar de vrees van zijn grootvader is volgens Hicham ongegrond. „Ik heb deze film donderdagavond al een keer gezien, vlak nadat hij uitkwam op internet, en ik moet eerlijk zeggen dat ik het lachwekkend vind. En dat vind ik eigenlijk nog steeds. De film Fitna is een grapje!”

Grootvader Habib kijkt zijn kleinzoon bij die laatste opmerking met een boze blik aan. Hij ziet de film voor het eerst. „Deze film is niet grappig. Het is ook niet als grapje bedoeld. Die man gebruikt de gruwelijkste beelden om niet-moslims te overtuigen dat moslims slecht zijn. Jij bent van huis uit ook een moslim, jij bent toch niet zo slecht als die mensen in die film? Of moeten we daar nu ook bang voor zijn, dat jij straks aanslagen gaat plegen”, bijt de grootvader zijn kleinzoon fel toe. „Nee, natuurlijk ben ik niet zo, zo wil ik ook niet worden, maar wat ik bedoel te zeggen is dat ik voor zo’n filmpje echt niet de straat op hoef. Rellen wil ik niet, en demonstreren zeker niet. Die eer verdient Wilders met zijn Fitna niet.”

Net op dat moment zijn opa en kleinzoon in de film getuige van de onthoofding van een blanke gijzelaar. Beide mannen vallen stil. Ook dat wordt door Wilders uitgelegd als ’de islam’. De oude Habib krijgt tranen in zijn ogen. De jonge Hicham legt zijn hand op de schouder van zijn grootvader. Woedend zegt die: „Die ontvoerders en terroristen zijn geen moslims. Dát zijn pas varkens!”

Habib ontsteekt ook in kwaadheid als hij een driejarig meisje hoort zeggen dat joden apen en zwijnen zijn. „Alsof wij dat onze kinderen ook leren. Hicham, hebben wij ooit tegen jou gezegd hoe jij joden moet zien. Alsof het beesten zijn?” Hicham ontkent, nee, niemand in zijn familie heeft hem dat ooit geleerd. Integendeel, hij leerde dat hij iedereen moest respecteren in een land waar iedereen welkom is. „Ik heb altijd geleerd van mijn ouders en grootouders dat we blij moeten zijn dat we hier mogen zijn en dat we het hier niet slecht hebben. Ik ben het daar niet altijd mee eens, want mijn opa heeft keihard gewerkt en kreeg daar slechts weinig voor terug. Marokkanen worden door velen nog steeds gezien als voetvolk en hebben minder kansen op de arbeidsmarkt. Daar hebben we dagelijks last van. Maar ik begrijp wel wat mijn opa bedoelt. In Nederland hebben we het waarschijnlijk veel beter dan we het in Marokko zouden hebben.”

De film Fitna, wat zoiets als ’beproeving’ betekent, eindigt met Wilders’ kijk op de toekomst van Nederland. Dat doet hij met beelden van executies, meisjesbesnijdenissen, boerka’s en, opnieuw, terreur. Als een ’gewone’ sterveling dit allemaal zou vinden, doet Habib dat weinig. Hij ervaart het hooguit als kwetsend. Maar dat een Nederlandse politicus met een partij in de Tweede Kamer dit zo doet, vindt hij verschrikkelijk. „Al die jaren heb ik hier in Nederland gewoond, gewerkt en belasting betaald. Ik heb nadat ik mijn Nederlandse paspoort kreeg, bij elke verkiezingen gestemd, zo trots als ik altijd was dat ik mocht stemmen. Maar die mensen op wie ik heb gestemd hebben deze man niet kunnen tegenhouden. Hoe kan dat? Wij worden als moslims, of voor mijn part als Marokkanen, toch ook vertegenwoordigd door de Tweede Kamer? Deze man en zijn zogenaamde Partij voor de Vrijheid staan duidelijk niet voor alle Nederlanders. Deze politicus doet niets voor mij. Als Kamerlid werk je voor de gehele Nederlandse gemeenschap. Daar hoor ik ook bij.”

Zijn kleinzoon Hicham knikt instemmend als zijn grootvader over de Nederlandse politiek praat. „Opa is trots op Nederland. Hij houdt van Nederland en is hier gebleven omdat hij het hier goed heeft. Als hij het land niets zou vinden, was hij hem kennende echt niet gebleven. Ik herinner me de verkiezingen waarbij hij ’s morgens vroeg al naar het stembureau ging. Weer thuis ging hij de verkiezingsuitslagen volgen. Dat zijn de enige dagen waarin hij tot diep in de nacht televisie blijft kijken. Mijn grootvader wil weten of hij trots op Nederland kan blijven. Zelfs toen Wilders zijn zetels veroverde, was opa niet bang. De andere partijen zouden hem nooit verkeerde dingen laten doen. Maar dat bleek een illusie. Niemand kan Wilders tegenhouden mijn opa te kwetsen. De oude man heeft zichtbaar pijn, hij huilt. Dat gevoel heb ik er gelukkig niet bij, maar wil dat ook nooit hebben. Hij voelt zich verraden door de mensen op wie hij heeft gestemd, maar zal toch altijd gaan stemmen. Hij is 69 en heeft nog hoop. Ik ben achttien en mag nu ook stemmen, maar nu ik mijn opa zo zie, heb ik er geen vertrouwen in. Liever stem ik niet.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />