*

 

Hans Croiset / Als persoon verdien ik geen bewondering

arjan visser − 19/04/08, 01:56

Hans Croiset (Amsterdam, 1935) is acteur, toneelleider en regisseur. Hij is de zoon van actrice Jeanne Verstraete en acteur Max Croiset en de broer van acteur Jules Croiset. Dit jaar verscheen bij uitgeverij Cossee de aangrijpende roman ’Badhuisweg’ over de verhouding tussen Hans en zijn dominante vader.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Dit gebeurde op een dag, ergens aan het einde van de oorlog, toen mijn pleegmoeder voor eten op pad was: mijn broertje en ik lazen Old Shatterhand en ik had, met blokken, een indianendorp gebouwd. In het midden stond een totempaal. ’Wat is dat?’ vroeg Jules. ’Dat is zo’n paal waar ze Jezus aan vastgespijkerd hebben,’ zei ik. Op dat moment bleek dat mijn pleegmoeder al een paar minuten naar ons had staan kijken omdat ze het zo’n prachtig tafereeltje vond. Toen ik haar zag, schrok ik zo verschrikkelijk dat ik als een stuiterbal over dat indianendorp ging en alles – bwam! – omver maaide. Alsof ik, door dat woord in verband met die totempaal te gebruiken, in overtreding was. Ik dacht om een of andere reden dat het verboden was om überhaupt over zoiets te praten, maar dat was het niet; het geloof kwam bij ons thuis gewoon nooit ter sprake.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Voor mij kan één streep van een Karel Appel de ultieme verbeelding van het onzegbare zijn.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Provocatief in de zin van hardop nare dingen zeggen in het openbaar? Nee, die behoefte heb ik niet. Maar in interpretaties van toneelstukken misschien wel. Ik ben heel gelukkig geweest dat ik me, niet gehinderd door al te veel kennis, in Lucifer van Vondel heb kunnen verdiepen en genoot van de gedachte dat hij tot op driekwart van het stuk sympathie voor de duivel heeft.

Ik neem het de mensen die gelovig zijn niet kwalijk dat ze willen leren van al die wijsheid, maar ik kan het systeem niet verdragen. Ik vind het vreselijk, vréselijk. Van boven af, dictatoriaal, één persoon, onverdraagzaam. Ik luister vaak naar de EO of de NCRV op de radio en als ik die discussies hoor, kan ik maar niet begrijpen dat intelligente mensen er zo over praten. Dan denk ik: ga toch lekker op een bankje zitten mediteren over Jefta, dwaal rond in het universum. Dát gun ik iedereen. Maar dat opdringerige, het gedoe er omheen* ik begrijp het niet. Ik voel er niets bij. Niet als: ik ben mezelf genoeg, nee, ik vind het zo’n onzin allemaal! Terwijl ik erken dat meer dan driekwart van de mensen de behoefte heeft aan steun, aan een leidende figuur, of een plaatsje in de hemel. Ik denk niet over ziel. Ik denk niet over hiernamaals. En, al vallen ze in bosjes om mij heen: ik denk niet over dood. Ik heb er niks mee.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„In de tijd dat de kinderen nog thuis waren, gebruikte ik de sabbatdag om zo weinig mogelijk te doen. Dan mocht de buitenwereld niet binnenkomen. Ik heb zo’n dag altijd heel prettig gevonden maar echt helemaal vrij was ik nooit. Nu het werk, op mijn leeftijd, zo goed als afgelopen is* dat is trouwens een raar iets, ik ben ontzettend argwanend dat ik er zo rustig onder ben, maar misschien breekt er een periode aan waarin ik verplicht wordt om bij mezelf stil te staan. Ik ben niet iemand die zegt: o, nu ga ik fijn mijn tuintje wieden of de foto’s eindelijk eens inplakken. Boeken lezen, nadenken. Dat doe ik het liefst. Nee, ik geloof niet dat ik veel wijzer zal worden.

Ik zal je eens iets vertellen* maar wat ik nu ga zeggen wil ik alleen heel beschermd weten: ik was een jaar of vijf, voor het eerst naar school geweest en ik liep terug naar huis waar ik mijn vader en mijn pleegmoeder op het balkon zag zitten. Ik stond op straat en riep naar boven: ’Ik heb vandaag alles beter geweten!’ Het werd een soort running gag, het bleef hangen, ik ben het ook gaan onderzoeken. Dus elke keer als ik weer iets eigenwijs zei, werd dat onder die test gelegd. Het is ook de functie van een regisseur om het – nee, niet per se beter te weten, maar om er iets van te weten, dat te kunnen delen, of om op te vangen wat een ander beter weet: alles ten faveure van een stuk. Ik ben, zo langzamerhand, wel een paar dingen te weten gekomen, maar ik denk dat ik alles wat ik nu bedenk toen – dertig, veertig, vijftig jaar geleden – ook al moet hebben bedacht. Ik kan het nu misschien beter onder woorden brengen, maar het is hetzelfde inzicht. Ik ben, per saldo, niet veel verder gekomen.”

V Eer uw vader en uw moeder

„Mijn ouders zijn gescheiden toen ik vier was. Ik heb zeven, acht herinneringen aan mijn moeder en een stuk of twee, drie herinneringen aan mijn ouders samen. Doordat ik mijn moeder pas op mijn zeventiende terugzag, is ze heel langzaam uit mijn jeugd verdwenen. Bovendien was er mijn pleegmoeder, de vrouw die ons, op verzoek van mijn vader, heeft opgevoed. De band met haar was zo intens, zo vanzelfsprekend, dat zij gewoon onze moeder werd. Op een bepaald moment vatte de gedachte post dat mijn ouders echt gescheiden waren. Daar schaamde ik me voor. Iedereen dacht dat mijn pleegmoeder mijn moeder was. Ik zei ook mama tegen haar. ’Dus je zegt mama, maar ze is niet je moeder?’ Mijn vriendjes begrepen er niets van. ’En je vader, met die vrouw?’ ’Dat is mijn stiefmoeder.’ ’Je stiefmoeder? Is je echte moeder dood dan?’ ’Nee, ze leeft, maar ik zie haar nooit.’

Als je mij naar mijn vader en moeder vraagt, moet ik ze eerst scheiden; ze hebben, in mijn gevoelens, niets, maar dan ook niets, met elkaar te maken. Ik geloof ook niet dat ze het een dag langer met elkaar hadden kunnen uithouden. Twee planeten. Ik kan me wel voorstellen dat mijn vader iets in haar zag, maar ik ben vooral meer en meer gaan begrijpen waarom mijn moeder het niet langer met hem uithield.

Ik kan mijn vader niet eren. Daarvoor voel ik te veel pijn. Zelfs de pijn waar ik overheen ben, weerhoud me* Ik heb in mijn boek fragmentjes opgenomen waarin ik beschrijf hoe lief en aardig Max kon zijn, maar dat zijn feitjes. Ik voel het niet. Ik voel niets meer. In de zeven, acht maanden die ik bij hem en mijn stiefmoeder heb doorgebracht heeft hij me tot wanhoop gedreven. Hij kon zich niet verplaatsen in een kind. Ik had het moeilijk, ik zocht hulp. Hij wees me af. Door wat ik heb beschreven in Badhuisweg lijkt iedereen ineens te denken dat Max jaloers op mij was, maar hij voelde zich te veel boven iedereen verheven om jaloezie te kunnen ervaren. Ik ben niet in strijd met mijn vader. Nooit geweest. Ik had alleen maar, één keer, willen horen dat hij me aardig vond. Als hij dat tegen me had gezegd, was dat boek er niet eens gekomen. Het zit heel ingewikkeld in elkaar. Of heel simpel. In ieder geval: ik kom er niet uit. Ik had graag een vader gehad die ik kon eren, heus. Heus.

En mijn moeder, die ik een groot deel van mijn leven veel heb verweten, ben ik – misschien wel op een veel te sentimentele manier – steeds meer gaan eren. Dat komt ook doordat ik steeds meer van mijn vader begrijp. Ze is niet voor niets bij die man weggelopen. Zo lam geslagen, plat geslagen, dat ze zelfs het moederschap er voor heeft opgegeven. Dat moet vreselijk zijn geweest.

Ik herinner me dat ik, in militaire dienst, op een avond helemaal alleen in zo’n tehuis zat. Er stond een televisietoestel. Ik denk dat er nog maar één zender was. Daar werd een film vertoond waar zij in speelde. Ze was nog maar eenentwintig. Ik moest nog geboren worden. Ik raakte totaal buiten mezelf in het kijken naar mijn moeder, dat meisje. Ik voelde mededogen. En ik dacht: ik hóef er niet te komen. Was ik maar niet geboren. Ik begreep het niet, ik begreep het niet* waarom was ze niet bij me gebleven? Of waarom was ze niet, toen ik haar later weer tegenkwam, bij me komen wonen? Om mijn sokken te stoppen. Om van me te houden.

Op het eind van haar leven heeft ze, wegkijkend, beschaamd, gezegd dat ik niet zo moest terugkijken. Ze zei mijn naam, met een verkleinwoordje erbij, iets wat ik haar niet eerder had horen doen. ’Je moet niet zo terugkijken.’ Het werd een soort mantra in mijn hoofd. Niet terugkijken. Maar ik kan het nog steeds niet laten. Ik kan me niet bezighouden met wat komt, het enige wat zekerheid biedt is terug en het onderzoeken van dat verleden. Wat is er gebeurd? Daar ben ik eigenlijk altijd mee bezig.”

VI Gij zult niet doodslaan

„Het was in Scheveningen, bij de haven. Ik zou mezelf gaan verdrinken. Er vanaf, er vanaf, er vanaf! Dat was het enige wat ik kon bedenken. Het was in de tijd dat ik bij mijn vader in huis woonde; maanden van voortdurende afbraak en ik* zeg, moet dit? Ik kan er niet over praten. Ik heb daarna nooit meer* ja, toch* God, dat heb ik zo diep weggestopt, alsjeblieft, mogen we erover ophouden? Dit doet me te veel pijn* Gij zult niet doden! Nee. Ik heb veel moordenaars op het toneel moeten zetten en me met wellust en graagte in hun psyche verdiept, maar ik kan me niet voorstellen dat ik in staat zou zijn een ander om te brengen.”

VII Gij zult niet echtbreken

„Er zijn dingen gebeurd waar ik niet trots op ben en dan zijn er natuurlijk ook nog de crisissituaties in de relatie die niets met een derde te maken hebben, maar toch* het vergroeid zijn, het* we zijn als man en vrouw gewoon familie van elkaar, punt. Maar god, ik heb het haar en de kinderen op allerlei terreinen zo moeilijk gemaakt* Ik denk dat mijn openbare leven mijn persoonlijke leven nadelig heeft beïnvloed. Het openbare leven was een schijnvertoning, maar doordat ik helemaal geen idee had van mezelf nam ik die houding mee naar huis. Ik heb me alles verbeeld. Zoals ik me jarenlang verbeeldde een gelukkige jeugd te hebben gehad, zo heb ik me altijd verbeeld dat ik, bijvoorbeeld, mijn werk van me af kon laten glijden in het halve uur dat ik nodig had om thuis te komen. Ik geloofde daar heilig in. Als mijn werk mij dwars zat, ontkende ik dat gewoon. Ik heb geen oog gehad voor mijn kinderen. Ik heb een egocentrisch leven geleid. Ja, negen weken vakantie per jaar, als een soort aflaat, ja, laat thuis maar niet vroeg de deur uit* ik kan een heleboel excuses bedenken, maar het gaat om ándere dingen. Ik heb jaren lang met agenda’s rondgelopen: ’Kijk dan! Hier staat het! Daar heb ik weken lang geen repetities gehad en hier had ik een paar dagen vrij, zie je nou wel?’ Onzin! Daar gaat het helemaal niet over. Ik was met mijn gedachten bij het theater. Ik heb zoveel niet gezien. Ik ben mijn kinderen niet tot steun geweest. En mijn vrouw* die hele emancipatiestrijd is aan mij voorbij gegaan. Terwijl zij een voorgangster was, niet fanatiek maar gewoon, inhoudelijk. Ik hobbelde er een beetje achteraan. Ik dacht alleen maar: ik werk me kapot, ik werk me kapot, help mij nou. Ik heb niet de wijsheid opgebracht om naar mijn gezin te luisteren en daar heb ik last van. Goed, het is een inzicht en bij mijn vrouw kan ik daar nog wel mee terecht, maar ik weet niet of ik nog op tijd ben voor de kinderen. Ik ben net zoals mijn eigen vader geweest, met dit verschil dat mijn kinderen hun mond niet hielden. Ik vond dat mijn gezag afbrokkelde, maar de waarheid is waarschijnlijk dat ik helemaal geen gezag heb gehad. Ik liep ook weg, ik liep altijd weg. Ik pakte mijn bord en ging op mijn kamer zitten eten omdat ik het niet aankon. Als ik een probleem niet aankan, loop ik weg. Goed, ik kom altijd weer terug. Dat heb ik dan tenminste geleerd maar verder* ik ben een poseur. Ik zit hier tegenover je en doe mijn best om gezellig te zijn, daar heb ik inmiddels zo’n ervaring in dat het me bijna geen moeite kost. Ik kocht vanochtend een taartje voor de dames van de uitgeverij. God, wat wil ik weer graag aardig gevonden worden! Als je straks weg gaat, zal ik mezelf haten. Om wat ik allemaal heb verteld, terwijl ik je niet eens ken. Omdat je al die onzin misschien nog gaat opschrijven ook. Omdat ik je misschien heb doen geloven dat ik best een aardige man ben. Dat is helemaal niet zo. Ik ben niet sympathiek. Ik ben een aansteller.”

VIII Gij zult niet stelen

„Molière zei het al: ’Je prends mon bien ou je le trouve.’ Je bent als regisseur al snel een dief want je kopieert, je kijkt en je pakt waar je het maar vinden kan. Ik heb me voor het kleinste ding – een geluidseffect! – moeten verantwoorden. Ooit schreef iemand dat ik het idee van de schommels in Lucifer had gepikt van Een Midzomernachtsdroom van Peter Brook. Ik kon niet ontkennen dat ik die voorstelling tien jaar eerder had gezien – de hele wereld had hem gezien! – maar in de tussentijd had ik ook vierhonderd ándere voorstellingen bekeken en wel twintig voorstellingen gemaakt. Ik kan goed uitleggen hoe zoiets, heel organisch, is ontstaan; waar de eerste in een lange reeks van schakels ligt, maar dat voel ik absoluut niet als plagiaat. Ik weet niet of die beschuldigingen met kinnesinne te maken hebben, ik denk er in ieder geval milder over dan vroeger, toen ik er nog middenin stond. De drie, vier jaar waarop ik het hoogtepunt beleefde in mijn carrière bij het Publiekstheater heb ik die afgunst wel om me heen gevoeld, maar nee* uiteindelijk is het toch zo dat een ander zich erin verheugd als je iets echt goed doet. Dat geldt voor mij in ieder geval. Ik ben professioneel, maar ik ben ook een bezeten toeschouwer en een mateloze bewonderaar.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Ik denk niet dat ik waarachtig ben. Ik heb teveel verschillende kanten die zo om de voorrang strijden dat ik door het ene te zeggen het andere niet benoem of iets niet benoem waardoor ik het andere niet hoef te bekennen of te ontkennen et cetera. Dat is het drie-, vierdubbele waarin je leven geordend is als je theater maakt; een ambivalentie in mij die het anderen soms onmogelijk maakt om met mij om te gaan.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Ik ben niet afgunstig. Mijn oprechte bewondering is tegelijkertijd mijn zwakte. Zo ben ik er trots op dat het Nederlandse kleine-zaaltoneel leidinggevend in Europa is, terwijl het een ondermijning is van het grote toneel waar ik voor werk. Ik sta niet snel voor mezelf op de bres. Niet uit goeiigheid hoor – ik wil niet schijnheilig overkomen – maar ik vond het vooral leuk om op de bres te staan voor mijn gezelschappen. Ik heb als intendant van het Nationaal Toneel Frans Marijnen, Leonard Frank, Shireen Strooker en Ger Thijs – vier totaal verschillende richtingen van het Nederlands toneel – binnengehaald. Dat was vragen om moeilijkheden, maar artistiek gezien ontzettend spannend. Geen intendant ter wereld doet zoiets, dat durf ik wel te zeggen. Marijnen begreep niet dat ik hem de openingsvoorstelling van het nieuwe gezelschap liet doen – dat doet de intendant altijd zelf – maar ik zei dat ik eerst drie maanden lang zou kijken hoe alles zou gaan en dán pas met een stuk zou komen. Is belachelijk gebleken, had ik niet moeten doen.

Ik had mezelf veel meer op de voorgrond moeten zetten maar – nogmaals, ik zeg het niet om iets positiefs over mezelf te zeggen, hoor – ik deed het vooral omdat ik zo graag wil bewonderen. En bewonderd te worden? Als theatermaker, zeker, maar dat is ook wel gebeurd. Als persoon verdien ik geen bewondering. Ik ben onzeker. Labiel. En ik weet niet of het nog goed komt. Misschien is het te laat. Ik weet het niet. Ik weet het niet.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />