*

 

Bas Haring / Waarom geen grapjes over moslims?

arjan visser − 24/05/08, 01:47

Bas Haring (De Bilt, 1968) is filosoof, schrijver van kinderboeken en populair-wetenschappelijk werk, columnist en hoogleraar aan de Universiteit van Leiden, waar hij de leerstoel ’Publiek begrip van wetenschap’ bekleedt.

I
Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Voor de religieuze mens is de vraag waarom we hier op aarde zijn vanzelfsprekend; hij gaat iedere week naar de kerk en geeft zichzelf op zijn minst de gelegenheid om, op een georganiseerde manier, bij de dingen stil te staan. Even ademhalen, even om je heen kijken, je afvragen waar je mee bezig bent en waar het allemaal toe dient. Het antwoord dat hij geeft is een illusie, maar de vraag op zich is waardevol. Bestaan we om iets anders dan om het leven zelf? Is het om iets of is het om niets? Mijn antwoord is: we zijn hier gemiddeld tachtig jaar en that’s it. Verder is er niks. Daardoor moet ik me wel afvragen: oké, waar haal ik het dán uit? Dat is lastig. Kleine dingen, denk ik. Me fijn voelen en er voor zorgen dat mensen uit mijn omgeving het ook goed hebben. Vaag? Nee, dat is helemaal niet vaag, het is een ervaring; ik voel dat het goed is.

Moraal is voor een belangrijk deel in de mens gebakken. Sterker nog: er zijn talloze wetenschappelijke onderzoeken die dat uitwijzen. De gevoelsmoraal is de drijvende kracht achter veel dingen. Die is er in de loop van tienduizenden jaren ingesleten, die bepaalt hoe we in elkaar zitten. Het is geen rationele moraal. Je moet niet het idee hebben dat je moraal kunt baseren op de ratio – zoals bijvoorbeeld het categorisch imperatief van Kant leert, waarbij je een ander nooit iets aan moet doen waarvan je zelf ook niet wil dat het jou wordt aangedaan. Want dat is erg lastig; dan moet je soms drie jaar lang nadenken voordat je weet wat je moet doen: dat wat je dus drie jaar eerder had moeten doen.

Een moraal gebaseerd op iets wat niet bestaat is ook gedoemd te mislukken. Aan de hand van tien regeltjes bepalen wat goed en kwaad is, lijkt mij een absurde redenering. Ik leg me hier bij neer: de mens is een biologisch wezen met een bepaalde ervaring van moraliteit –hij voelt dat het ene goed is en het andere niet– die, godzijdank, vaak niet in tegenspraak is met een rationeel te bedenken moraal.”

II
Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Vind jij ze zelf nou niet hilarisch, die tien geboden? Ik bedoel: het idee is dat God ze persoonlijk op die berg aan Mozes heeft doorgegeven. En waar begint Hij mee? Dat je alleen Hem mag dienen, dat je geen gesneden beelden mag maken, dat je Zijn naam niet ijdel mag gebruiken... het gaat allemaal over Hem! Zo’n man kun je toch niet serieus nemen? Maar goed, in overdrachtelijke zin: afgoderij, daar doe ik niet aan. Ik kijk tegen niets of niemand op. Dat heb ik van thuis meegekregen. Je kunt uitgaan van jezelf, je hoeft niet te buigen voor een meester. Oké, een filosoof staat op de schouders van reuzen; hij verwijst naar de Grote Denkers, het is zijn vak om te bestuderen hoe de ene wijsgeer, in een bepaald tijdsgewricht, op de andere wijsgeer reageert. Ik heb niet zoveel parate kennis over andere filosofen dat ik mij op hen zou kunnen baseren. Bovendien is natuurwetenschap veel meer mijn inspiratiebron dan het werk van andere denkers. Ik zit dus in een volkomen andere traditie. Eigenlijk ben ik maar een nepfilosoof. Weet je tegen wie ik trouwens wel een beetje opkijk – nee, laat ik zeggen: voor wie ik respect heb? Voor de mensen die in staat zijn dingen te denken die andere mensen niet kunnen bedenken. Ik hou ook van het tegenovergestelde, van iemand die zegt: ik ga lekker zondagmiddag bij Ado Den Haag kijken, ik werk van negen tot vijf, wie maakt me wat? Maar ik voel me uiteindelijk toch het best thuis bij die eerste groep.”

III
Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Ik hou rekening met gelovigen, ik zal niet bewust afstand scheppen door eens lekker te gaan vloeken, maar ik zal ook niet doen alsof ik nog in het midden laat of God bestaat. Ik ga niet zeggen dat ik een agnost ben. Ik ben een atheïst. Daar wind ik geen doekjes om. Ik vind ook dat er, in deze tijden, overdreven voorzichtig wordt gedaan als het gaat over mensen die mogelijk gekwetst kunnen worden door een grap of een cartoon. Ik zal niet zeggen dat ik het schandalig vind dat die Gregorius Nekschot werd opgepakt, maar ik vind het op zijn minst absurd. Belachelijk. Ik heb ooit een paar van zijn tekeningen gezien. Ik vond ze onsmakelijk, flauw, maar aan de andere kant: over christenen mogen we al twintig jaar lang dit soort grapjes maken, waarom dan niet over moslims? Wat een betutteling. Je zou er juist grappen door gaan maken. Nee, ik doe er geen schepje bovenop en ik pas me ook niet aan. Er is hier toch geen echte ellende aan de hand? Er zijn nog geen homo’s die geen homo mogen zijn, geen moslims die geen moslim mogen zijn, geen christenen die geen christen mogen zijn. Het gaat allemaal best oké. Theo van Gogh is vermoord, ja, maar wat wil je daar mee zeggen? Dat was er één. Eén dode. Een uitzonderlijk geval. Een tragisch geval, dat wel, maar nog geen reden om mij ergens over op te gaan winden.”

IV
Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Je kunt bewust niks doen –in bad zitten en voor je uit staren– maar je kan ook heel inefficiënt dingen doen waardoor het lijkt dat je wat doet, maar in feite helemaal niks presteert. Dat laatste kan ik vrij redelijk. Drie uur bezig zijn met koken. En wat heb ik dan klaargemaakt? Aardappels en bloemkool. Vind ik niet erg. Dat is mijn manier van niks doen.”

V
Eer uw vader en uw moeder

„Mijn pa is wel een leuke vent. Heel optimistisch. Hij is twee jaar geleden geopereerd aan zijn rug, heeft maar één oog –wat voor een fotograaf best wel vervelend is– maar is nu gewoon naar Israël verhuisd om in de kibboets, waar mijn zusje al een paar jaar verblijft, in een uit de grot gehouwen garage te gaan wonen. Het boeiende is: toen mijn ouders uit elkaar gingen dachten wij, de meeste kinderen: O God, die arme man, dat wordt helemaal niks. Maar hij heeft een sympathieke draai aan zijn leven gegeven. Hij heeft vrienden om zich heen verzameld, durft van alles aan te pakken en heeft een positieve kijk op de dingen die ik helemaal niet van hem kende toen ik nog thuis was en hem als vader meemaakte.

De relatie van mijn ouders was niet zo goed, er waren veel spanningen en de strijd was ongelijkwaardig. Mijn vader was het ondergeschoven kindje. Hij had in ons gezin niet veel te betekenen. Ik kan niet zeggen dat hij toen, als persoon, een grote indruk op mij heeft achtergelaten. Ik deed wel typische vader-zoon-dingen met hem –meehelpen in de donkere kamer, de plank vasthouden die hij door moest zagen– maar ik kom uit het gezin van mijn moeder. Zij was degene die alles bepaalde, zij had een autoriteit die je nooit in twijfel trok. Alles wat mijn moeder zei, was waar. Als ze beweerde dat Bergen aan Zee de gaafste plek was om op vakantie te gaan dan wás dat ook zo. Ik geloofde alles –hoe het zat met haar huwelijk, hoe de wereld überhaupt in elkaar stak– wat zij me vertelde. Het heeft heel lang, tot ik ging promoveren zelfs, geduurd voordat ik begreep dat het háár uitleg was; dat ik slechts één kant van het verhaal had gehoord.

Ik weet eerlijk gezegd niet zo goed of ik van mijn ouders houd. Het is een woord dat ik in dit verband niet snel zal gebruiken, daarvoor is er toch te veel pijn, te veel ellende. Dat klinkt misschien wel erg dramatisch... ik bedoel eerder te zeggen dat het een frase is die je niet voor een ouder-kindrelatie gebruikt, maar eerder voor een relatie tussen gelijkwaardigen zoals vrienden, broers en zussen.

Het woord ellende moet je hier ook niet te letterlijk nemen trouwens; het was gewoon niet altijd even leuk. Het was een bevrijding toen ik het huis uit ging, maar dat heeft niet per se met die situatie thuis te maken. Ik wilde op mijn negende al het huis uit. Ik ben altijd een redelijk solitair ventje geweest.”

VI
Gij zult niet doodslaan

„Je kunt een moordenaar zijn omdat je gefrustreerd bent –dan valt de dode vaak in je eigen omgeving– of je doodt als gevolg van een zakelijke deal en dan ben je een soldaat. In het laatste geval wordt de moord elders gepleegd en dat is, voor de meeste mensen, een stuk makkelijker. Het zit in onze biologie. Kijk maar naar de stokstaartjes – zie je die beestjes wel eens voorbij komen op Discoverychannel? Ze zijn heel aardig binnen hun eigen clubje, maar het clubje van drie heuvels verderop, dat zijn de eikels. Ze denken er niet over na, het zit in die beesten om onaardig te zijn voor de andere club.

Bij mensen zie je dat dus ook: een plotselinge uitbarsting van geweld jegens een andere groepering. In Liberia, de Balkan, noem maar op. Ineens gaat de slager de groenteboer te lijf omdat hij niet hetzelfde geloof aanhangt. Hoe moeilijk ik het ook vind om me voor te stellen dat er een moordenaar in mij schuilt: het zal mij waarschijnlijk ook minder moeite kosten om iemand van een andere partij een kogel door zijn kop te jagen.”

VII
Gij zult niet echtbreken

„Ik heb op het gebied van de liefde de nodige worstelingen meegemaakt. Het is zelden zo dat je tegelijkertijd vindt dat een relatie voorbij is, dus blijf je omdat je de ander geen pijn wil doen, omdat je geen rotzak wil zijn. Ik heb geroeid met de riemen die ik had, het was niet allemaal even handig, en toch is het nog de vraag of ik het een volgende keer anders zou kunnen doen... Weet je wat het is? Als je problemen hebt, ga je erover nadenken, maar dat is nu juist een onderdeel van het probleem. Daar kun je beter iemand voor inhuren. Dat heb ik ook gedaan: ik ben voor die liefdesproblemen in therapie gegaan. En ik heb later ook nog eens hulp gezocht voor problemen in de werksfeer. Bij dezelfde vent als van de liefde.

Ik ben nu elf of twaalf jaar met Chantal. Ik weet niet hoe ik over twintig jaar ben, dus wil ik ook niet beloven dat ik over twintig jaar nog bij haar zal zijn. Zo denkt zij er ook over. Daarom trouwen we niet. Een relatie is er niet om het zo lang mogelijk met elkaar uit te houden; ik blijf bij haar omdat ik haar de fijnste vrouw van de wereld vind.”

VIII
Gij zult niet stelen

„Ik heb geen antwoord op de vraag of rijkdom diefstal van de armen is, maar ik vind hem boeiend genoeg om er een boekje over te schrijven. Ik denk er dus regelmatig over na. Ik woon in een van de allermooiste huizen, op een van de allermooiste plekken van Nederland. Dat is mijn rijkdom. Is het diefstal? Nee. Het is mazzel. En het is onderdeel van wie ik ben dat ik daar mag wonen: ik zag dat het een mooie plek was, ik durfde binnen één dag de knoop door te hakken. Als je weet wat je wil, moet je aan de slag. Meestal wil je niks, toch? Tenminste, ik niet. Ik wil bijna nooit wat. Maar dit, ja, dit was mijn droom: een eiland –goed, het is een stuk land met een sloot rondom, maar toch– in Ransdorp.

Ik geloof niet dat het nodig is om, vanwege dat geluk, nu extra geld aan Amnesty International of een ander goed doel over te maken. Maar ik streef ook niet naar meer. Ik ben aan het consolideren. Als ik kan houden wat ik heb, ben ik al lang blij. Het is namelijk heel veel: ruimte, rust, uitzicht. Het past precies bij wie ik ben.”

IX
Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Het is goed om af te spreken dat we niet liegen, maar dat wil niet zeggen dat je je niet af en toe aan die regel zou mogen onttrekken. Ik lieg ook wel eens. Vorige week nog. Ik had via Marktplaats een kooi gevonden voor onze zieke eend, maar ontdekte kort daarna dat die zondag ook een grote dierenwinkel open was waar ze nieuwe kooien verkochten. Je begrijpt: alleen de beste kooi is goed genoeg voor onze lieve eend, dus belde ik die man van Marktplaats op en zei dat ik de kooi van een buurman kon lenen. ’Oké, begrijpelijk, geen probleem, tot ziens.’ Vaak is een leugen the easy way out.

Of ik geen grotere leugens in de aanbieding heb? Dat is een rare vraag. Daar geef ik natuurlijk geen antwoord op. Als ik die had, ging ik ze je niet vertellen en als ik zeg dat ik nooit over belangrijker zaken dan die eendenkooi heb gelogen, zou je wel heel naïef zijn als je me geloofde. Natuurlijk heb ik over grotere zaken gelogen, maar het was steeds om dezelfde reden: door te liegen dacht ik te voorkomen dat anderen onnodig werden gekwetst.”

X
Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Het is niet verstandig om te willen wat een ander heeft. Het maakt je afhankelijk. De vraag is: wat wil je zelf? Ik geloof niet dat ik op die manier naar mijn buurman kijk, maar ik moet toegeven dat ik wel dub over die stomme geldingsdrang. Ik kan wel zeggen dat het goed zit met de www – ken je die uidrukking niet? Dat zijn de drie dingen die goed moeten zijn als iemand uit de gevangenis komt: wijf, wonen, werk. Als het met die drie w’s niet in orde is, zit zo’n vent binnen de kortste keren weer vast. Met mijn www zit het dus wel goed, en tóch ben ik niet helemaal tevreden. Ik wil meer. Ik wil iets te betekenen hebben, ik wil niet dat dit alles is, ik wil niet alleen die tachtig jaar, ik wil iets slims bedacht hebben, ik wil onthouden worden. Er zullen vast mensen zijn die zeggen: nou, Bas Haring, die kan een boel, die heeft al veel gedaan! Misschien dat ik van mijn eigen sollicitatiebrief ook wel onder de indruk zou zijn, maar toch voelt het niet zo. Ik kan niks, ik ben lui en ik deug niet. Alle mensen zijn prachtig, maar wie ben ik in hemelsnaam? Ik ben klein. Ik zeg het met een kwinkslag, maar ik bedoel het verdomde serieus. Het is beslist geen koketterie. Het is niet altijd even handig om zo te denken omdat ik daardoor ook zakelijk van de verkeerde dingen uitga. Als ik denk dat niemand weet wat ik doe of heb gedaan, dan zeg ik dingen anders dan wanneer ik ervan uitga het wel zo is. En als het laatste de waarheid is –de mensen weten het wel– en ik laat terloops vallen dat ik wel eens een boekje heb geschreven, dan ben ik al snel een arrogante lul omdat ze al lang wisten dat ik die vent van die boekjes was... nou ja, begrijp je het nog?

Kijk, sommige mensen zijn opgegroeid met het idee ergens te horen. Je bent ongetwijfeld een slimme mevrouw of mijnheer, je hoort hier en er wordt naar je geluisterd. Zoiets heb ik nooit gehoord. Ik heb geleerd: je bent onzichtbaar, pruts maar een beetje aan, het is prima zo. Dat is een houding die ook wel bij mijn vader past. Hij was er trots op dat hij, als lid van een of andere commissie, een reiskostenvergoeding kreeg maar lekker op de fiets ging en van het geld dat hij uitspaarde een broodje kon eten. Ik heb daar geen oordeel over, maar het is precies de kleinheid waarmee ik ben grootgebracht, de kleinheid die me nu soms nog parten speelt. Als je het van dát soort dingen moet hebben, blijf je altijd klein.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />