Geert Wilders beheerste ook het afgelopen seizoen de Nederlandse politiek en dat is een hele prestatie voor een politicus die niet meer dan zes procent van de kiezers vertegenwoordigt en maar één programpunt heeft. De vraag is hoe hij het voor elkaar krijgt alle anderen, zelfs een heel kabinet, inclusief de premier, in de schaduw te stellen.
Zonder twijfel ligt een deel van het antwoord besloten in de politieke missie van Wilders, de strijd tegen wat hij noemt de islamisering van Nederland. Hij speelt in op de gevoelens van angst en afweer die immigratie door de geschiedenis heen in een ontvangende samenleving oproept. In Nederland is dat niet anders dan in Amerika en andere staten met een langere traditie op dit vlak. Die ervaring biedt het begin van een relativering. De problemen zijn van tijdelijke aard.
Wilders bestrijdt vanzelfsprekend die zienswijze. In zijn ogen is er sprake van een botsing van beschavingen en draagt de immigratie van moslims bij aan de ondergang van het avondland (Europa). Hij voegt zich met die zienswijze in het spoor van Pim Fortuyn en Frits Bolkestein, die begin jaren negentig als eerste Nederlandse politicus de westerse cultuur aan de islamitische superieur verklaarde.
In deze jonge, romantisch gekleurde, traditie ligt een tweede verklaring voor de Wildersmanie. Zij staat in vrijwel alle opzichten haaks op de poldercultuur in de Nederlandse politiek. Die cultuur is gericht op het compromis door middel van overleg, voor een groot deel in de achterkamer, en het depolitiseren van lastige kwesties. Voor romantici een gruwel, omdat zij hartstochten willen laten spreken en het scherpe politieke debat zoeken.
Bolkestein verklaarde al vijftien jaar terug aan deze cultuur ’van wikken en wegen, schikken en plooien’ de oorlog. Hij hekelde de stroperigheid en het gebrek aan daadkracht van de poldercultuur, die in zijn ogen leidde tot starheid en immobilisme. ’We waren ooit een volkje van bezige bijen, nu zijn we gedoemd tot een slakkenbestaan’, riep hij uit tijdens de algemene beschouwingen in 1993.
Het is verbazingwekkend dat deze romantische, in wezen on-Nederlandse visie bij een flink deel van het electoraat aansloeg. Dat gebeurde juist in een tijd waarin de naoorlogse welvaart een hoogtepunt bereikte; een prestatie die zelfs tot over de grenzen werd toegeschreven aan het Hollandse poldermodel. Het behoort tot de ongerijmdheden van de recente geschiedenis dat dit model, steunend op bestuurlijk ingestelde middenpartijen, in zijn finest hour onder druk kwam te staan.
Uit een oogpunt van typecasting waren Bolkestein, Fortuyn en Wilders ideale figuren om met de polderpolitici de strijd aan te binden. Door hun afwijkende stijl, en zelfs ongewone uiterlijk, verbleekten de representanten van de Haagse politiek als vanzelf tot grijze muizen. Wilders is in het cultiveren van deze tegenstelling nog een stapje verder gegaan door de regels van de ’oude politiek’ opzichtig aan zijn laars te lappen.
Dat maakt hem moeilijk grijpbaar voor politici die, komend uit de school van de polderpolitiek, nauwelijks in staat zijn zich hartstochtelijk en vol strijdlust in het debat te storten. Balkenende en Bos houden niet eens van het debat. Het was tekenend dat de premier onmachtig was stante pede te reageren toen Wilders in het debat over de regeringsverklaring de loyaliteit en de integriteit van twee leden van zijn ploeg, staatssecretarissen Aboutaleb en Albayrak, vanwege hun dubbele nationaliteit in twijfel trok.
Balkenende had op dat cruciale moment het integratiedebat een beslissende wending kunnen geven door zijn geattaqueerde teamgenoten als geslaagde immigrantenkinderen in het zonnetje te zetten. Maar hij liet de aanval lopen en reageerde pas ergens aan het eind van zijn eigen termijn, als ging het om het zoveelste dossier. Het onbedoelde effect was dat Wilders nog een punt leek te hebben ook.
Het gaat te ver die gemiste kans geheel en al toe schrijven aan de Haagse cultuur, maar een feit blijft dat in de loop der jaren politiek is getransformeerd in beleid en dat politici als logisch gevolg half verambtelijkte dossiervreters zijn geworden, niet meer bij machte tot de verbeelding van de burgers te spreken. Het doet dan ook geforceerd aan als de premier de natie ineens oproept tot een ’VOC-mentaliteit’. Uit de mond van Bolkestein, Fortuyn of Wilders had dat geloofwaardig geklonken.
Niet zo vreemd is dat deze politici de lievelingen zijn van de spektakelzuchtige media. Dat werkt dus nog eens extra in hun voordeel, zeker wanneer politici, zoals Geert Wilders, alle trucs beheersen om de aandacht naar zich toe te trekken. De poldercultuur met zijn achterkamers, neiging tot depolitiseren en coalitiemonisme is niet mediageniek. De ernstige vraag die uit dit alles voortvloeit is of ons kiesstelsel nog wel geschikt is voor deze tijd. Per slot van rekening dwingt dit stelsel tot de coalitiecultuur, die ondanks de successen door verontrustend veel kiezers wordt verafschuwd. Met de opkomst van de romantische school-Bolkestein hebben nuchterheid en rede zoveel aan invloed verloren, dat het zelfs bij de particuliere voorspoed en tevredenheid niet langer afdoende is op de zegeningen te wijzen. Er kolkt hoe dan ook iets in het gemoed van deze natie dat binnen de kaders van het beproefde bestel geen uitweg vindt. Wilders kan als de politieke uitdrukking van deze onbestemde en bedreigende hartstochten worden beschouwd.
Daarin ligt vermoedelijk de derde oorzaak van de beduchtheid van politici en de fascinatie van de media die hij oproept. Den Haag heeft een lange zomer voor de boeg om over het antwoord op de Wildersmanie na te denken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.