*

 

Hoog tijd dat we afrekenen met de jaren tachtig

Elma Drayer − 21/08/08, 00:00

Het enige verstandige dat vorige week uit de mond van Wijnand Duyvendak rolde was ’s mans oproep om de jaren tachtig grondig tegen het licht te houden. Die zijn volgens het gevallen Kamerlid nooit helemaal verwerkt.

Goed idee, natuurlijk. Bijna alle decennia van de vorige eeuw zijn op enig moment bediscussieerd, heroverwogen en opnieuw ingekleurd. Dat de jaren tachtig nu aan de beurt komen is even logisch als onvermijdelijk.

Maar zie. Veruit de meeste oud-kameraden van Duyvendak blijken daar héél anders over te denken. Hoezo afrekenen met de jaren tachtig? „Omdat bij jou nu pas de schellen van de ogen zijn gevallen”, schreef een van hen dinsdag in de Volkskrant, „moet daarom nu iedereen die in die jaren actief was verantwoording gaan afleggen?”

Niet moe worden ze erop te wijzen dat wij de eventuele ontsporingen ’in de context van die tijd’ moeten zien. Zo noemde een filosoof het gisteren in deze krant ’kortzichtig’ om subversieve daden achteraf te veroordelen. „Wij zijn kennelijk niet meer in staat te begrijpen dat dergelijke acties bij een manier van politiek hoorden die eigen was aan links.”

Ook mogen de oud-kameraden ons er graag aan herinneren dat het radicale actiewezen de Nederlandse natie onnoemelijk veel goeds heeft gebracht. Had dat zijn tanden niet laten zien, het land was bij wijze van spreken nu bezaaid geweest met kerncentrales. En vooral de kraakbeweging dienen wij te prijzen. Zonder haar belangeloze inzet was er, zeg maar, geen sociale woning ooit nog gebouwd.

Ik graaf wat in het geheugen. Wat merkte ik van de heldendaden van mijn krakende generatiegenoten?

Toegegeven, misschien had ik er –bourgeois als ik toen al was– te weinig oog voor. Mijn enige betrokkenheid bestond er vrees ik uit dat ik destijds toevallig een kamer huurde vlak bij de kruising waar op 11 oktober 1982 een tram in de fik ging na de ontruiming van de Lucky Luyk. Ik herinner me tranende ogen, prikkende slijmvliezen, en hoe ik urenlang mijn straat niet in mocht. De gelatenheid waarmee ik het ongemak onderging, verbaast me achteraf nog het meest.

En o ja, dan was er nog een clubje medestudenten dat een leegstaand pand kraakte op een toplocatie. Hoewel het zelfs de grootste sukkel lukte om langs de gebruikelijke weg onderdak te vinden, heerste er volgens hen schrijnende woningnood in de hoofdstad. Daarom was de kraak een daad van grote rechtvaardigheid. Niet lang daarna konden ze het pand aankopen, tegen een onwaarschijnlijk zacht prijsje. Zo werden ze eigenaar van onroerend goed dat later tonnen in waarde zou stijgen. Dáár was ik al heel wat minder gelaten onder.

Ach, wat zou het toch aardig zijn als deze oud-krakers verantwoording aflegden. Of gewoon eens vertelden hoe ze daar nu tegenaan kijken, tegen dit treffende voorbeeld van hoe de grootste bek in de jaren tachtig kon winnen – en er nog rijkelijk voor beloond werd ook.

Nog geen drie maanden geleden deed een nieuwe generatie krakers luidruchtig van zich horen. Ze bekogelden de Amsterdamse politie toen die het waagde een al te luidruchtig feestje te bederven. In de haastig ontruimde kraakpanden troffen de agenten allerhande knus wapentuig aan: vlindermessen, honkbalknuppels, een ploertendoder, pepperspray, scherpe munitie.

Uit woede over de ontruiming gooiden de krakers vervolgens de ruiten in van de burgemeesterswoning aan de Herengracht. Job Cohen reageerde zeer ontstemd op het geweld. Maar later liet hij in de gemeenteraad weten dat hij nog steeds niks tegen kraken heeft. Hij zou het zelfs ’jammer’ vinden als Den Haag het fenomeen zou verbieden.

Inderdaad. Het wordt hoog tijd dat we afrekenen met de jaren tachtig. Ze zijn nog lang niet voorbij.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />