Zijn vader hield niet van voetballen. En hij deed er alles aan om zijn zoon te ontmoedigen. „Mijn vader stopte na twee klappen en ging dan zitten roken en vervloekte mij en al mijn voorvaderen – van moederskant natuurlijk.” Het heeft niet mogen baten. De Iraaks-Koerdische schrijver Ibrahim Selman is nog steeds gek op voetballen. En bovendien gek op Oranje.
Een vrouwelijke collega vroeg of ik van voetballen hield. Ik keek haar aan, de blik in mijn ogen sprak: wat is dat nou voor vraag, elke man houdt toch van voetballen?
Maar dat zei ik niet, ik glimlachte en ik zei: „Ja, ik houd van voetballen en kijk graag voetbal”.
„Maar houd je ook van Oranje?”
„Ja, ik houd van Ajax en van het Nederlands elftal, en ik ben gelukkig als ze winnen.”
Haar ogen werden groter, blauwer, het roze in haar wangen kreeg een extra glans. Aanvankelijk besefte ik niet wat ze bedoelde. Ik stond er niet bij stil dat ik geen echte Nederlander was, niet van Nederlandse origine.
Spontaan vroeg ik: „Hoe oud ben jij?”, al is het niet elegant om een vrouw naar haar leeftijd te vragen.
„Dat weet je toch? Vijfentwintig, en niet meer vergeten.”
„Dan ben ik twee jaar langer Nederlander dan jij oud bent.”
„Ik kan me niet voorstellen dat jij, als Oranje scoort, staat te juichen.”
„Waarom niet?”
„Je bent een denker, een kunstenaar, een schrijver en voetballen is iets voor jonge mensen*”’
Het bloed spatte haast uit haar wangen, en de blauwe kleur in haar ogen werd steeds dieper. In haar hals vlamden rode vlekken op.
„Is voetballen niets voor mij omdat ik een denker ben of omdat ik niet meer jong ben? Voetballen wordt in leven gehouden door denkers, schrijvers en kunstenaars.’’
„Ik begrijp gewoon geen hout van voetballen: tweeëntwintig mannen die urenlang vechten om een bal.”
Die laatste zin had ik eerder gehoord. Niet van een vrouw maar van een man, een islamitisch geestelijk leider uit Iran. Hij begreep trouwens ook niet waarom miljoenen mensen naar die rennende mannen keken, juichten, en elkaar te lijf gingen. Hij noemde voetbal een ’geestesziekte’.
Zou mijn vader ook zo gedacht hebben? Ik hield zielsveel van hem maar hij stond altijd tussen mij en het voetballen in. Dan haatte ik hem intens. Ik was in staat hem te vermoorden (dit is een oosterse overdrijving). Gelukkig is het niet zover gekomen. Een paar jaar later is hij wel vermoord, maar niet door mij, en ook niet in verband met voetballen.
Als kind mocht ik van hem niet voetballen. Leren en werken mocht ik wel. Maar de mens is geen mens als hij de regels niet omzeilt. Omdat ik stiekem moest voetballen gaf het mij des te meer adrenaline, het zette mij nog meer in vuur en vlam. Voor de goede orde: mijn vader was geen traditionele man, hij was een vrijdenker en erg open. Hij hield alleen niet van voetballen. Dat vond hij een waardeloze bezigheid. Hij had er geen hekel aan, maar hij wilde niet dat ík voetbalde.
Mijn stiekeme afspraken om te voetballen gingen gepaard met veel pijn, wonden en vooral veel ruzies tussen mij en mijn vader. Hij sloeg en ik ontving, zonder te protesteren, zonder te huilen. Ik reageerde helemaal niet. Dat maakte hem kwaad maar ook bang. Hij kon niet blijven slaan zonder reactie. Hij stopte na twee klappen en ging dan zitten roken en vervloekte mij en al mijn voorvaderen – van moederskant natuurlijk.
Maar wat stelde het voetballen voor, mijn voetballen? Niets, eigenlijk helemaal niets. Ik heb nooit voetbalschoenen aangetrokken of in voetbaltenue gespeeld.
We woonden in Bagdad, in een wijk die grensde aan een enorme open vlakte. Een paar maanden eerder was hier een krottenwijk met de grond gelijkgemaakt. Op de ruïnes hadden jongeren een voetbalveldje gemaakt. Naast het voetbalveldje was een stinkende plas vol uitwerpselen, weggeworpen spullen: messen, glazen, sokken, schoenen, stukjes matras, watermeloenschillen. Als je vanuit de verte zou kijken zou je denken dat het een oase was. Op die oase was ik verliefd: ik kon daar voetballen!
We voetbalden op blote voeten, maar soms kwamen door ons spel stukken puin uit de grond omhoog. In de hitte van de strijd was ik fanatiek en wild en ik trapte, als ik op het doel schoot, keihard tegen de bal. Een keer raakte mijn blote rechtervoet niet de bal maar een scherp stuk van een kapot vat dat uit de grond stak. Het drong diep in mijn grote rechterteen. Ik dacht niet aan de pijn en de open wond maar aan mijn vader, die er zo zou achterkomen dat ik weer had gevoetbald. Ik ging op de grond zitten en perste met alle kracht die ik had de wond dicht en vroeg of iemand een verband had. Een jongen trok met een stokje stof uit de grond, een lapje dat ooit deel van een jurk was geweest. Hij sloeg het tegen zijn dij, scheurde er met zijn tanden een smal stukje van af en bond het aan mijn teen. Daarna voetbalden we verder.
Mijn vader kwam er pas twee dagen later achter dat ik had gevoetbald, toen de wond mijn been liet opzwellen en ik toch naar het ziekenhuis moest.
„Hoe vaak heb ik je gewaarschuwd?”, zei hij. „Maar je blijft koppig. Je blijft dom. Wat heb je in godsnaam aan dat voetballen? Straks moeten ze misschien je voet amputeren! Misschien maar goed ook, dan weet ik dat je nooit meer tegen een bal kunt trappen, dat je je op je boeken gaat concentreren.” Hij zoog hard aan zijn sjekkie en blies de rook pas een paar seconden later door zijn neusgaten naar buiten. Ik zei helemaal niets, maar keek naar de glimmende tegels van de ziekenhuisvloer. Maar als ik naar de grond bleef kijken, sloeg mijn vader op mijn achterhoofd, dus tilde ik dit keer vóór hij ging slaan mijn hoofd omhoog. Mijn vader lachte en zei: „Sukkel, je leest mijn gedachten, hé?”
Niets kon mijn liefde voor voetbal hinderen of minderen. Ik formeerde zelfs een team, nooit een elftal. Zover is het niet gekomen. Samen met mijn neven en vrienden waren we in totaal met zeven jongens. We speelden soms drie tegen drie, één was keeper. Soms speelden we tegen andere teams. Dan moesten we of in de straat spelen of een half uur lopen om bij een voetbalveld te komen. Maar dat veld was bijna altijd bezet met grote jongens. Op blote voeten speelden we in de geasfalteerde straten de vellen van onze voeten, knieën en ellebogen. Ook onze gezichten waren altijd gesierd met schaafwonden.
Op een dag daagde ik samen met mijn neven een ploeg uit om naar dat voetbalveld te gaan, tijdens de hete middaguren want dan speelde niemand. Het veld was inderdaad leeg en we gingen fanatiek tegen elkaar tekeer. We waren nog geen half uur bezig toen een grote groep naar het veld kwam, hun veld. Die groep was berucht. Iedereen vreesde hen, het waren sjiieten, allemaal van dezelfde stam. Ik wist dat ze ons zouden wegjagen maar daar had ik geen zin in. We hadden net gescoord, ik was in de roes van het spel. Ik zei tegen mijn neven dat ze niet bang moesten worden.
De leider van de grote groep riep uit de verte dat we moesten vertrekken. Als Koerd had ik in al die jaren in Bagdad al vele hoofd- en lichaamswonden opgelopen, een wond meer of minder maakte mij niets uit. Ik wilde het veld niet zomaar verlaten want dan zou ik mijn gezag bij mijn neven kwijtraken. Liever ging ik dood! Een neef was net uit Koerdistan gekomen en logeerde bij ons. Ik ging tegenover de leider staan die een kop groter was dan ik. De anderen zouden nog achter me staan om als het nodig was ook te vechten, dacht ik.
„Jullie moeten hier weg.”
„We willen het even afmaken.”
„Als jullie niet vriendelijk vertrekken krijgen jullie spijt.”
„Wat ga je doen dan, denk je dat we bang zijn voor jullie?”
„Ja! Dit is ons veld en niemand mag hier spelen.”
„Jullie hebben het toch niet gekocht?”
„Niet brutaal doen.”
„Wie doet nu brutaal, wij spelen en jullie willen ons weg hebben.”
„Jullie kunnen beter vertrekken.”
We wisten beiden niet wat achter ons gebeurde.
„Heb je nooit gehoord van de Koerdische vechtjas?”, zei ik, terwijl ik trachtte vuur uit mijn ogen te spuwen. Hij begon te twijfelen, dat zag ik in zijn blik.
„Ja, nou en?”
„Ik ben die vechtjas, wil je vechten?”
„Oké, jullie mogen nog een halfuur spelen.”
Ik draaide me triomfantelijk om en zag dat er niemand meer was behalve die ene neef die bij ons logeerde. Hij had een getrokken mes in zijn hand. Het koude zweet brak me uit. De sjiiet zag het ook. Maar hij kon zijn belofte niet breken.
Ik stak mijn hand uit die hij aanvaardde. Samen met mijn neef die het mes nog vasthield, liep ik weg. We durfden niet om te kijken.
Die avond was de finale van de Arabische cup. Irak speelde tegen Syrië. Mijn vader had een karretje, een mobiel winkeltje met noten en andere spullen. Tegen het einde van de finale kwam hij terug met het karretje en ik moest helpen met uitladen. Hierdoor zou ik het slot van de wedstrijd missen, die behoorlijk spannend was. Het stond na verlenging nog 1-1. Terwijl ik de spullen naar binnensjouwde vervloekte ik mijn vader en de armoede. Maar de explosie van gejuich die ik hoorde toen Irak scoorde, maakte me mild. Met een grote bak vol noten stond ik als versteend op de trap. Mijn vader kreeg medelijden en zei: „Ga kijken, jongen. Ga kijken. Je bent toch ongeneeslijk ziek. Vervloekt is hij die het voetballen uit heeft gevonden.” Ik rende naar de buren en zag de herhaling van de winnende goal. Even was ik de gelukkigste jongen ter wereld.
Een paar maanden later verhuisden we naar een andere wijk in Bagdad waar ik geen neven had en niet aan voetballen toekwam, ook niet stiekem.
In Nederland besefte ik te laat dat ik mijn beide zonen naar een voetbalclub kon sturen. De oudste wilde toen hij klein was wel, maar mijn vrouw en ik hadden geen tijd om hem te halen en te brengen. Op z’n vijftiende pas ging hij bij een club spelen maar hij raakte telkens geblesseerd. De jongste zoon wilde niet op een voetbalclub. En of er kleinkinderen komen die op de voetbalvelden kunnen schitteren, dat staat nog te bezien.
De magie van het voetballen is onuitwisbaar. Waar het vandaan komt is niet interessant. Misschien is deze magie wel goddelijk, in ieder geval dionysisch. Waarom nuchtere Nederlanders zich bizar gedragen, zich in gekke oranje kleding steken en het land in een oranje zee veranderen begrijp ik wel. Maar ik doe zelf niet mee.
Voetballen blijft doorgaans toch een vriendelijke oorlog – hooligans daargelaten. Als we de gewone oorlogen door voetbal konden vervangen zouden we de mensheid een grote dienst bewijzen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.