Het salaris van een minister wordt de norm of althans het ijkpunt voor salarissen in de publieke en semipublieke sectoren. Regering en parlement zijn het daarover gisteren in grote lijnen eens geworden.
Dat is mooi, al zal het wel een illusie zijn dat de ergernis over topsalarissen nu als onverwoestbare steen des aanstoots uit ons leven zal verdwijnen.
De Balkenendenorm is als uitgangspunt doordacht. Het inkomen van een minister is behoorlijk, in de ogen van velen nog altijd riant, maar bepaald niet exorbitant. In de top van het bedrijfsleven en sommige publieke sectoren wordt aanzienlijk meer verdiend. Zoveel zelfs dat het geen zin meer heeft dat verschil te overbruggen, zoals in de jaren zestig van de vorige eeuw nog wel mogelijk was.
Dat het verschil zo groot is ligt ook aan de politici, in die zin dat zij altijd huiverig zijn hun salaris te verhogen. Dit kabinet heeft het zelfs niet aangedurfd de ministerssalarissen gelijk te trekken met de hogere salarissen van topambtenaren. Dat gebeurt nu niet met de vereiste dertig, maar met slechts tien procent. Niettemin, het inkomen ligt op een aanvaardbaar niveau, zeker gezien het afbreukrisico dat een minister loopt. Het moet hoog genoeg zijn om aantrekkelijk te blijven en laag genoeg om uit te drukken dat het een eer is de publieke zaak te dienen.
Het ministerssalaris van ruim 170.000 euro voldoet aan die voorwaarden en is daarom zeer geschikt als norm voor de salarissen van bestuurders van instellingen die publiek geld besteden, zoals het onderwijs, de omroep, waterleidingbedrijven. Het is niet te verdedigen dat bestuurders salarissen toucheren die dat niveau ver te boven gaan. Het voorstel van minister Ter Horst om hier paal en perk aan te stellen is vertrouwenwekkend. Instellingen die op meer afstand van de overheid staan, mogen zelf het maximum bepalen, maar de minister moet dat wel goedkeuren en bij afwijking zijn er middelen om te corrigeren.
De fracties van SP, GroenLinks en PVV vinden het allemaal nog te soft, maar in het licht van de excessen in de afgelopen jaren is het een hele stap vooruit. Daar komt bij dat deze aanpak, ontwikkeld door een commissie onder leiding van de liberaal Dijkstal, samenhang brengt in de publieke topsalarissen. Dat kan emoties en ongericht jaloeziedenken uit de discussie weren. Verschillen in beloning zijn niet erg, als ze maar redelijk zijn, in verhouding staan tot de verantwoordelijkheid die de functie met zich meebrengt en, waar het om publieke zaak gaat, door het publiek worden begrepen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.