*

 

’Dankzij die overnames bestáán die scholen nog’

Hanne Obbink − 29/11/08, 00:00

’Sentimenten spelen een te grote rol in deze discussie. Er is al tig keer onderzoek gedaan naar de effecten van schaalvergroting en nooit is bewezen dat die slecht uitpakt voor het onderwijs.” Dat zegt Leo van Beek, voorzitter van het college van bestuur van Quadraam, een groep scholen in Arnhem en omgeving.

Quadraam bestaat sinds begin dit jaar en ontstond uit een fusie tussen een bestuur met drie en een bestuur met tien scholen. Van Beek twijfelt niet over de noodzaak van die fusie. „Wij willen kleinschalig onderwijs bieden. Om dat goed te kunnen doen, heb je een grootschalig back office nodig. Zo besteed je je geld efficiënt en zorg je voor slagkracht.”

De Onderwijsraad is bang dat er door te ver doorgevoerde fusies, monopolies van schoolbesturen ontstaan, zodat ouders niets meer te kiezen hebben. Maar die vrees deelt Van Beek niet. „Ouders kiezen niet voor een school, niet voor een schoolbestuur. Wij willen een assortiment neerzetten waaruit ouders kunnen kiezen. Onze scholen móeten van elkaar verschillen.”

Dat geldt zeker voor verstedelijkte gebieden, zegt ook Pieter Hendrikse. Hij is lid van het grootste schoolbestuur van Nederland: Ons Middelbaar Onderwijs, met zo’n honderd middelbare scholen en 63.000 leerlingen, verspreid over Noord-Brabant. „Maar op het platteland mag je al blij zijn als er één school is in een bepaald gebied. Wij hebben tientallen scholen overgenomen die te klein waren geworden om zelfstandig voort te bestaan. Dankzij die overnames bestáán die scholen nog. Dan mag je wel waarschuwen voor monopolies, maar waar héb je het dan over!?”

Is het in zulke grote bestuurlijke verbanden nog mogelijk ouders en leraren bij de school en het bestuur betrokken te houden? Hendrikse herkent de vraag. „Maar eigenlijk draait het om de vraag: van wie is de school? Die vraag heeft niets met schaalgrootte te maken. Vroeger was het duidelijk: je had in een dorp of een stad een katholieke en een protestants-christelijke en een openbare school en het was helder van wie elk van die scholen was. Maar die scheidslijnen zijn verdwenen.”

Maar laten we ’vroeger’ vooral niet romantiseren, vervolgt Hendrikse meteen. „In een stad of dorp kende iedereen misschien z’n eigen schoolbestuurders wel. Maar hoeveel ouders durfden deze notabelen ook echt aan te spreken? Is er een kloof ontstaan tussen ouders en school, of bestond die altijd al?”

En de leraren? Hebben die nog zeggenschap over hun eigen werk? Volgens Hendrikse is er minder veranderd dan op het eerste gezicht lijkt. „Wij zeggen altijd: ons bestuur doet in scholen, onze scholen doen in onderwijs. Wij bemoeien ons, met andere woorden, niet met het onderwijs. Dat laten we aan de leraren en de rectoren over.”

„Wij zien er wel op toe dat scholen zich inzetten om de beste van de regio te worden. En we zorgen voor de randvoorwaarden: geld, personeel, huisvesting en dergelijke. Omdat we zo groot zijn, kunnen we dat veel goedkoper doen dan anderen, bijvoorbeeld door gunstige contracten met leveranciers. Het geld dat we zo uitsparen, gaat rechtstreeks het onderwijs in.”

mailIcon print |