Architect Liesbeth van der Pol is de nieuwe rijksbouwmeester. Haar doel: een mooier en duurzamer Nederland. „Het ontwerpen moet voorop staan. Dat raakt ondergesneeuwd door economische belangen.”
De nieuwe rijksbouwmeester, Liesbeth van der Pol, is nog maar net begonnen, maar van een rustige inwerkperiode is geen sprake. Ze moet zich meteen al bezighouden met een conflict over Europese aanbestedingsregels dat de architectuurwereld al maanden beroert en inmiddels heeft geleid tot een ’architectuurstaking’. Voortvarend heeft Van der Pol zich opgeworpen als een soort bemiddelaar. Volgende maand zit ze met alle betrokken partijen aan tafel en voor het eind van het jaar wil ze advies uitbrengen aan het kabinet. Maar eerst laat ze onderzoeken wat er echt aan de hand is.
Zoals ze het vertelt, klinkt het alsof ze al maanden aan het werk is als rijksbouwmeester, terwijl ze net twee weken in functie is, parttime wel te verstaan. Drie dagen in de week is ze rijksbouwmeester, de andere twee blijft ze werkzaam voor haar eigen bureau, DOK Architecten in Amsterdam.
Als architect weet ze er alles van hoe het is om te moeten werken met opdrachtgevers die bij de Europese aanbesteding van projecten vaak extreem hoge eisen stellen aan architecten wat betreft omzet en ervaring. De Bond van Nederlandse Architecten (BNA) waarschuwde afgelopen juni in Trouw dat dit kan leiden tot een verschraling van het architectuurklimaat, omdat jonge en kleine architectenbureaus door deze strenge eisen moeilijker aan opdrachten komen. Een aantal gerenommeerde bureaus trok zich enkele weken geleden zelfs terug uit de selectieprocedure voor het nieuwe stadhuis van de gemeente Westland, vanwege de ’onredelijk hoge eisen’ van de gemeente.
Als architect heeft Van der Pol begrip voor de nood bij jonge en kleine bureaus. Maar als rijksbouwmeester moet ze ’breder’ en op een ’genuanceerde’ wijze kijken naar deze kwestie, zegt ze. „Het ligt ook niet alleen aan de opdrachtgevers.” De Europese aanbestedingsregels hoeven naar haar mening niet aangepast te worden. Die bieden voldoende ruimte en zijn er juist op gericht om de markt transparanter te maken. Het lijkt er meer op dat Nederlandse opdrachtgevers die regels strikter interpreteren dan nodig is. Ze schroeven de eisen zo hoog op dat alleen ervaren architectenbureaus met hoge omzetten daaraan kunnen voldoen. Zo zijn er gemeenten die bij de bouw van een school de voorwaarde stellen dat een bureau alleen mag meedingen als het al eerder scholen heeft ontworpen. Bij de bouw van het gemeentehuis van Almelo gold de eis dat bureaus een gemiddelde jaaromzet draaien van drie miljoen euro. Volgens de BNA voldoet slechts zes procent van de sector daaraan.
De mentaliteit om zoveel mogelijk zekerheden in te bouwen, bespeurt Van der Pol op meer terreinen in de samenleving. Ongetwijfeld speelt in dit conflict ook een rol dat het lastig is de kwaliteit van architectuur te vatten in getallen, waardoor opdrachtgevers extra geneigd zijn op safe te spelen. Er is al gesuggereerd een onafhankelijke jury of instantie te laten oordelen over ontwerpen voor gebouwen die Europees moeten worden aanbesteed. In zo’n panklare oplossing gelooft de rijksbouwmeester niet. Eerst moeten alle betrokkenen zo snel mogelijk met elkaar in gesprek, om een loopgravenoorlog te voorkomen. Van der Pol: „Want ze moeten toch met elkaar verder en hebben elkaar nodig.”
Volgende maand wil ze daarvoor een hele dag uittrekken. Ook wil ze te rade gaan bij haar collega-rijksbouwmeesters in andere Europese landen, waar dit probleem niet speelt, en bij haar voorgangers. „En er komt ook een onderzoek naar de feiten. Hoeveel architecten hebben hier last van? Om hoeveel opdrachten gaat het die Europees aanbesteed moeten worden?” Maar wat uiteindelijk het zwaarst moet wegen, is dat bij alle partijen de ’zin en lust om iets moois te maken’ voorop dient te staan. „Het ontwerpen moet voorop staan in het bouwproces. Ik vind dat dat wel ondergesneeuwd is geraakt bij de economische belangen.”
Nederland mooier maken. Het is een zin die regelmatig opduikt als ze vertelt over de doelen die ze zichzelf heeft gesteld voor de komende drie jaar. Haar voorganger maakte vooral een punt van de verrommeling van Nederland. Die lijn wil ze doortrekken, maar daarnaast zal de ontwikkeling van de steden ook een speerpunt zijn. „Duurzame stedenbouw, dan denk ik onder meer aan groen wonen in de stad in een hoge dichtheid, hergebruik van leegkomende gebouwen en het herbestemmen van monumenten. We hadden een rijke traditie op dit gebied en uitstekende stedenbouwkundige ontwerpbureaus, terwijl het nu vooral architecten en landschapsarchitecten zijn die zich bezighouden met de grote stedenbouwkundige projecten. Ik heb de indruk dat stedenbouw ook op de opleidingen, op de academies en universiteiten, minder in de belangstelling staat. Daar ga ik me ook zeker mee bemoeien.”
De blik moet weer sterker op de steden worden gericht, waarmee ze niet gezegd wil hebben dat er een dikke streep gezet moet worden onder het Vinex-tijdperk. „Je hebt geslaagde en minder geslaagde Vinex-wijken, maar de nadruk op deze uitbreidingswijken is wel ten koste gegaan van de steden.”
Ze wil geen voorbeelden noemen van recente stedenbouwkundige projecten die in haar ogen zijn mislukt. „Ik vind het niet handig om nu steden en ontwerpers aan de schandpaal te nagelen. Ik ben een positief ingesteld mens en kies ervoor om te zeggen wat wel goed is gegaan.” De herbouw van de wijk Roombeek in Enschede, bij de vuurwerkramp nagenoeg van de kaart geveegd, vindt ze een schoolvoorbeeld van een geslaagde stedenbouwkundige inpassing. „Het is natuurlijk droevig dat er een ramp voor nodig was om zo’n proces op gang te brengen.”
Als het aan de rijksbouwmeester ligt, proberen gemeenten ook vaker oude gebouwen die hun functie hebben verloren, te behouden en een tweede leven te geven. Naar haar smaak wordt er nog steeds te gemakkelijk gesloopt in Nederland. Als architect was en is het ook één van haar stokpaardjes om bij het ontwerpen uit te gaan van het karakter van het bestaande en de relatie van een gebouw met zijn omgeving. Wat heeft een gebouw nodig om in de omgeving te passen? „Die vraag hoort elke architect zich te stellen, omdat dat meer de schoonheid van Nederland bepaalt dan het uiterlijk van een gebouw. Daarom is het belangrijk om je altijd grondig te verdiepen in de bouwlocatie. Het gebied er omheen maakt zoveel uit.”
In een eerder interview in Trouw vertelde ze dat ze, wanneer ze op een bouwlocatie staat, vaak gevoelsmatig al iets mist. „Daarmee ga ik dan aan de slag.” Dat doet ze op een bijzondere manier: met de verfkwast. Met aquarelverf maakt Van der Pol haar schetsen. Al schilderend wordt ze gedwongen om goed te kijken en zo komt ze vaak tot nieuwe inzichten. Maar of dat ook zo werkt in haar functie van rijksbouwmeester, is de vraag. „Sinds ik hier zit, heb ik nog geen aquarel gemaakt. Maar deze baan is ook zo uitdagend.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.