Wat lijken de jaren tachtig ver weg, als je luistert naar de Nederlandse politici en media die Wijnand Duyvendak en Jacqueline Cramer de maat nemen. In dat duistere decennium van de vorige eeuw golden blijkbaar andere regels, werden andere waarden hoog gehouden en liep een ander slag mensen rond in Nederland.
De manier waarop Nederlanders omgaan met het recente verleden doet mij denken aan hun fictieve landgenoot Rip van Winkle. Deze man vloeide in 1819 voort uit de pen van de Amerikaanse schrijver Washington Irving. Rip van Winkle woonde aan het einde van de achttiende eeuw in de Catskill Mountains van de staat New York, een gebied dat door Nederlandse kolonisten werd bevolkt.
Op een dag verdwaalt hij in de bergen, waar hij een paar vreemd geklede mannen tegenkomt, naar verluidt de geesten van de manschappen van ontdekkingreiziger Henry Hudson, met wie hij diep in het glaasje kijkt. Hij valt in zo’n diepe slaap dat hij pas twintig jaar later ontwaakt, met een lange witte baard. Voordat hij in slaap viel, leefde hij in het Amerika van voor de Revolutie, bij zijn ontwaken leeft hij in de Verenigde Staten. Bij zijn terugkeer in de vallei komt hij snel in de problemen, doordat hij verkondigt dat hij een loyaal onderdaan is van koning George. Als verrader van de nieuwe, republikeinse idealen wordt hij hard aangepakt; hij kan ternauwernood ontsnappen aan de volkswoede.
De Nederlandse Rip van Winkle van dit moment is Duyvendak, die in zijn laatste boek toont weinig besef te hebben van de tijd waarin hij leeft. Zelfs in activistische linkse kringen is er nu minder begrip voor illegale activiteiten, gepleegd voor het goede doel. De jaren tachtig zijn voorbij.
Duyvendak had moeten weten dat de bakens zijn verzet. Nederlanders willen een strikte handhaving van de wet en zij wantrouwen alles wat de burgerlijke en politieke orde zou kunnen ondermijnen. Natuurlijk was er Duyvendaks schuldbekentenis over het plegen van een misdrijf, maar het was vooral de manier waarop hij sprak over zijn actieverleden die velen tegen de borst stuitte.
Wat mij opvalt, is hoe deze discussie wordt gevoerd. Met nieuwsgierigheid, verwondering en soms verachting is er de afgelopen weken teruggekeken op een periode die zo ver van ons lijkt af te staan. Je ziet het vooral in de kritische commentaren van conservatieve beschouwers. Je ziet het aan de manier waarop linkse politici zich generen over hun activistische verleden en ideologieĆ«n. En je ziet het ook aan de manier waarop een tijdperk opeens historisch wordt geanalyseerd om te verklaren wat de mensen toen bezielde. De nadruk ligt telkens weer op vervreemding en verwijdering van ’de jaren tachtig.’
Dat is vreemd. Als je in Oost-Duitsland woont, of in Chili of in Zuid-Afrika, dan valt nog voor te stellen dat je praat over de jaren tachtig als een tijdperk uit een andere wereld, als een vaak pijnlijk verleden met andere heersers en andere grondwetten, die nog steeds invloed uitoefenen op het heden. In deze landen is kritisch commentaar op het verleden niet alleen noodzakelijk, maar onvermijdelijk.
Maar in Nederland? De jaren tachtig verschillen nauwelijks van het huidige tijdsbestek: Nederland kent vrijwel dezelfde democratische waarden als toen, hetzelfde rechtsstelsel en zelfs dezelfde houding tegenover burgerlijke ongehoorzaamheid –in feite was ook in de jaren tachtig de sympathie voor deze acties niet zo groot. Het is niet te vergelijken met het verschil dat Rip Van Winkle ondervond toen hij ontwaakte. Er is meer continuïteit met de jaren tachtig dan we denken.
Maar dat is niet de manier waarop Nederlanders omgaan met hun geschiedenis. De periode van verzuiling, de activistische jaren zeventig en tachtig, de neoliberale jaren negentig –in de Nederlandse beleving zijn dat allemaal afgesloten perioden, over en uit. Nederlanders zijn zo onder de indruk van veranderingen en de noodzaak tot aanpassing aan de eisen van de nieuwe tijd, dat zij hun verleden snel afschrijven als waardeloos of dom, naïef, onverantwoordelijk, fout. Dat heeft te maken met hun neiging tot consensus en het uit de weg gaan van conflicten. Nederlanders zijn liever boos op de Rip van Winkles uit het verleden, dan grondige discussies te voeren over het politieke heden.
DemocratieĆ«n zijn niet gediend met zo’n snelle verwerping van het verleden. Het ondermijnt, op termijn, het vertrouwen in de kwaliteit van de besluitvorming binnen democratische instellingen. Kritische historische reflectie op het verleden is altijd van belang en natuurlijk kun je de zaken beter beoordelen van een afstand, als er enige tijd voorbij is gegaan.
In plaats van rekenschap achteraf te eisen, is het beter om in het heden een levendige discussie te voeren over idealen en beleid. De Nederlandse consensusmentaliteit heeft dat noodzakelijke debat soms verhinderd. Er was soms te weinig kritiek op links activisme in de jaren zeventig en tachtig. Des te meer reden om niet decennia te wachten voordat je kritiek levert.
Dit is de eerste column van de historicus James Kennedy, die voortaan tweewekelijks op zaterdag zal verschijnen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.