Het kabinet wil de taalachterstand van allochtone kinderen aanpakken door hun ouders een verplichte cursus Nederlands te geven. Die aanpak is tot mislukken gedoemd, waarschuwen taalkundigen.
Veel allochtone kinderen hebben een taalachterstand van één tot twee jaar. Vooral hun woordenschat en tekstueel begrip laten te wensen over. In spelling en het lezen van losse woordjes zijn ze net zo goed als autochtone kinderen.
Het kabinet wil hun achterstand aanpakken door ouders van allochtone kinderen op Nederlandse les te sturen. De hoop is dat ze daarna thuis Nederlands gaan spreken, zodat de kinderen taalvaardiger op school komen. Ook Tweede-Kamerleden geloven in dit mechanisme. Op het ministerie van integratie zoeken ze nu uit hoe ze zo’n cursus verplicht kunnen stellen.
Zonde van de moeite, oordelen taalwetenschappers. Volgens hen zal het project uitdraaien op een mislukking. Als je de taalvaardigheid van kinderen wilt verbeteren, moet je niet bij de ouders beginnen: te indirect, en uiteindelijk misschien zelfs contraproductief.
„Op zich is het goed als allochtone kinderen zoveel mogelijk met Nederlands in contact komen”, beaamt Folkert Kuiken, hoogleraar Nederlands als tweede taal aan de Universiteit van Amsterdam. „Maar als je ouders op een taalcursus stuurt, is het helemaal afhankelijk van het bereikte niveau of hun kinderen er iets mee opschieten.”
Meestal spreken allochtonen na een cursus nog steeds gebrekkig Nederlands. „Je ziet vaak dat de kinderen hun ouders verbeteren”, zegt Pieter Muysken, hoogleraar algemene taalwetenschap aan de Radboud Universiteit en gespecialiseerd in meertaligheid. „Maar het gevaar bestaat dat ze de fouten overnemen. Dan leren ze krom Nederlands.”
In de praktijk loopt het niet zo’n vaart, denkt Kuiken, want na een cursus gaat vrijwel geen enkele immigrant thuis Nederlands spreken. „Ga maar na: Wat zou je zelf doen als je naar Turkije zou emigreren? Dan blijf je thuis Nederlands praten tegen je kinderen. Die taal ben je gewend. Je hebt er een sociale en affectieve binding mee. En het is prettig als je kinderen met opa en oma kunnen communiceren.”
Het kán wel, een radicale overstap naar een nieuwe taal. Veel Nederlanders die in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw naar Australië emigreerden, spraken vanaf het begin Engels tegen hun kinderen. Maar voor hen was het relatief eenvoudig, vanwege de verwantschap tussen Engels en Nederlands. Bovendien konden zij lezen en schrijven, wat enorm helpt. „Van een Noord-Afrikaan die hier aankomt kun je niet hetzelfde verwachten”, stelt Muysken.
Vooral in Marokko wonen veel ongeletterden. Bibliotheken zijn er nauwelijks, er heerst een vertelcultuur. De taalsituatie is hopeloos verwarrend, met minstens vier grote talen en drie schriften. „Daardoor zijn Marokkanen over de hele linie taalzwak”, zegt Muysken. „In Nederland moeten ze een dubbele achterstand inhalen.”
De politiek reageert hier de laatste jaren op door de moedertaal driftig te bestrijden. Als er minder Marokkaans of Turks door de hoofden van nieuwkomers stroomt, zou er meer plaats vrijkomen voor het Nederlands. De Britse taalkundige Colin Baker noemt dat idee smalend de ’ballontheorie’. Mensen zien de moedertaal als een grote ballon die de hersenen vult. Een tweede taal zou je er alleen nog als een half opgeblazen ballonnetje naast kunnen proppen.
Maar zo werkt het niet, zeggen deskundigen. In werkelijkheid vergemakkelijkt een goede beheersing van de ene taal juist de verwerving van een tweede. Onderwijs aan immigranten in de moedertaal zou daarom helpen, stelt de Tilburgse sociolinguïst Nadia Eversteijn. „Maar dat is momenteel voor geen enkele politicus bespreekbaar.”
In 2000, toen het politieke klimaat verharde, heeft een groep taalwetenschappers een manifest opgesteld met de titel ’Het multiculturele voordeel: meertaligheid als uitgangspunt’. Kernboodschap: accepteer de moedertaal van allochtone kinderen en bied tegelijk hulp bij het leren van Nederlands.
Maar dit geluid dringt niet door tot in Den Haag. Misschien komt dat deels, erkennen de wetenschappers, doordat er op dit terrein maar weinig hard onderzoek is gedaan. Niemand heeft bijvoorbeeld ooit gekeken wat er gebeurt als de ene groep allochtonen verplicht Nederlands gaat spreken terwijl de andere aan de moedertaal vasthoudt. Zo’n proef zou onethisch zijn, vinden taalkundigen, en er zou bijna niemand aan willen meedoen. Muysken: „Daardoor blijft er helaas veel ruimte voor ideologie.”
Taalkundigen beweren overigens niet dat een taalcursus volstrekt nutteloos is. Waarschijnlijk kunnen ouders er wel degelijk allerlei voordelen mee behalen, zoals verbale onafhankelijkheid in de winkel of bij de huisarts. Zelfs de kinderen profiteren wellicht mee, bijvoorbeeld als de ouders beter kunnen helpen bij het huiswerk.
Maar gaat het puur om het taalniveau van de kinderen, dan zijn er effectievere middelen. Het bijscholen van docenten bijvoorbeeld, zodat taalachterstanden eerder worden ontdekt; meer gemengde scholen, zodat allochtone kinderen overdag Nederlands praten; het inlassen van extra brugjaren die de overstap naar het voortgezet en hoger onderwijs vergemakkelijken; voorschoolse opvang, extra taaluren, leescampagnes, enzovoort.
„Je moet op verschillende paarden tegelijk inzetten”, adviseert Kuiken, betrokken bij het taalbeleid van de gemeente Amsterdam. „In de praktijk gebeurt er al heel veel. Dat begint zijn vruchten af te werpen. Hier op de universiteit wordt het taalniveau van allochtone studenten elk jaar een beetje hoger.”
Hoe lang zal het nog duren voordat iedere allochtoon goed Nederlands spreekt? „Moeilijk te zeggen”, antwoordt Kuiken. „Er gaan zeker een paar generaties overheen. Het lastige is dat het Nederlands ondertussen verschuift. Combinaties als ’hun hebben’ en ’die meisje’ worden steeds gangbaarder. Geen idee waar we uitkomen.”
Zijn Nijmeegse collega Muysken vraagt zich af of allochtonen ooit afscheid zullen nemen van hun oorspronkelijke taal. „De Amerikaanse geschiedenis leert ons dat migrantentalen meestal binnen drie generaties verdwenen zijn. Maar de moderne immigratie is anders dan die van vroeger. Migranten reizen nu vaker heen en weer tussen beide landen. De banden met het thuisland blijven sterk. Daardoor kan het drie-generatie-model wel eens op losse schroeven komen te staan.”
Muysken vermoedt dat er uiteindelijk een toestand van permanente meertaligheid ontstaat, waarbij veel mensen thuis een andere taal spreken dan in de openbare ruimte. Het Nederlands is en blijft hun tweede taal, maar ze zullen die taal zo goed beheersen dat ze er in de maatschappij probleemloos mee kunnen functioneren.
Mensen kunnen volgens Muysken perfect tweetalig zijn. In de dagelijkse omgang hoeft niemand er iets van te merken. „Hooguit kunnen tweetaligen niet alle technische onderdelen benoemen die onder de gootsteen hangen. Maar op dat niveau beginnen autochtonen ook te haperen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.