De Europese Commissie presenteert vandaag een steunplan voor de economie. Maar wie moet die impuls geven en wat mag dat allemaal kosten? De overheidstekorten dreigen weer op te lopen door de nationale steunmaatregelen.
Een herstelplan voor groei en banen, dat klinkt heel mooi. Het is ook hard nodig om de economie van de Europese Unie uit de recessie te trekken waar veel landen nu al in zitten – of spoedig in terecht zullen komen.
De Europese Commissie, die het plan vandaag presenteert, put moed uit de aanpak van de kredietcrisis. Zes weken geleden wisten de EU-lidstaten in een gecoördineerde actie de dreiging af te wenden dat banken zouden omvallen. Waar nodig gaven ze steun en ze garandeerden de leningen tussen banken onderling.
De EU was er destijds snel uit omdat voor iedereen wel duidelijk was wat er moest gebeuren. Ook economen verschilden nauwelijks van mening. Nu ligt dat anders, want de opvattingen over de juiste aanpak van de crisis lopen ver uiteen.
Heeft de auto-industrie steun nodig? Ja, zeggen de Duitsers, want het gaat om miljoenen arbeidsplaatsen en die kunnen we niet missen. Nee, menen andere landen, vooral die zonder grote automerken: laat de crisis zijn werk maar doen. Het steunen van een hele sector is economisch niet te verantwoorden.
Bovendien is het de vraag waar het geld voor economische stimulering vandaan moet komen. Brussel zelf kan geen miljarden uittrekken. De Europese begroting is relatief klein, en de commissie heeft ook niet de bevoegdheden om het economische beleid uit te zetten. Ze kan hooguit geld dat al in de Europese begroting zit, sneller besteden. Die plannen liggen er ook, bijvoorbeeld voor steun aan zwakke economische regio’s in het oosten en zuiden van Europa.
Verder biedt het pakket de lidstaten een aantal middelen waar ze uit mogen kiezen. Zo kunnen ze de lasten voor burgers en bedrijven verlagen, investeringen bevorderen en de ontwikkeling van nieuwe producten aanmoedigen. Liefst direct gecombineerd met dat andere grote Europese doel: het tegengaan van de klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.
Een compromis voor de auto-industrie ligt voor de hand: geef extra subsidies voor het ontwikkelen van nieuwe, schonere modellen en een kooppremie voor mensen die een oude, vervuilende wagen inleveren.
Enkele lidstaten hebben hun steunmaatregelen al gepresenteerd, zoals Groot-Brittannië en Nederland. Maar andere landen willen of kunnen dat niet zo gemakkelijk doen.
Want door geld uit te trekken voor een economische impuls lopen de overheidstekorten op. En het is juist de Europese Commissie die de hand moet houden aan het stabiliteitspact voor de euro. Dat pact gebiedt onder meer dat het tekort niet boven de 3 procent mag komen. Veel landen dreigen daar volgend jaar snel overheen te gaan.
Flexibiliteit is daarom nu het toverwoord in Brussel. De commissie zal bij het beoordelen van ieders begroting rekening houden met de ’uitzonderlijke economische omstandigheden’. In de praktijk krijgen de lidstaten ruim de tijd om hun tekort weer op orde te krijgen.
Dat kan goed aflopen, als de recessie niet al te lang duurt. Als de economie over een jaar weer aantrekt, kunnen de tekorten daarna weggewerkt worden. Maar als de maatregelen weinig effect hebben, stapelen de problemen zich op. Dan moeten de lidstaten nog jaren boeten voor het laten oplopen van de tekorten.
Maar een te zwakke impuls levert ook niets op. In Brussel wordt gesproken over 1 procent van de totale omvang van de Europese economie, circa 130 miljard euro.
In het Europees Parlement gaan al stemmen op om tenminste het dubbele te besteden. En ondertussen kijkt iedereen naar de Verenigde Staten, waar de nieuwe president Barack Obama 700 miljard dollar wil uittrekken, ondanks het gigantische Amerikaanse tekort.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.