Iraanse activisten voor vrouwenrechten hebben het zwaar. Parvin Ardalan mag het land niet meer uit sinds ze een mensenrechtenprijs won. ’De repressie neemt toe, maar wij worden sterker.’
De oorkonde hangt prominent aan de muur– Parvin Ardalan is trots op de internationale erkenning die haar vorig jaar ten deel viel met de Olof Palme Prijs. Ze kreeg de mensenrechtenprijs vanwege haar strijd voor gelijke rechten voor man en vrouw in Iran, ’ondanks vervolging, dreigementen en pesterijen’.
Van dat laatste kreeg Ardalan meteen een fraai staaltje mee, toen ze in maart naar Zweden wilde reizen om de prijs op te halen. Op het vliegveld van Teheran werd ze teruggestuurd. Sindsdien is ze haar paspoort kwijt. Wanneer ze weer naar het buitenland mag is onduidelijk. „Ik had beter de Nobelprijs kunnen winnen”, grapt ze, verwijzend naar collega-activist Sjirin Ebadi die in 2003 de Nobelprijs voor de Vrede won. Zij kan (vooralsnog) onbelemmerd reizen.
Ardalan (42) klein, grijzend haar, expressieve ogen, laat zich vallen op de bank die een groot deel vult van haar piepkleine appartement. Ze zucht diep, ze is moe. Niet alleen van een lange werkdag, maar ook van de voortdurende tegenwerking die zij en haar mede-activisten ondervinden van de Iraanse autoriteiten.
De activist-journalist is eraan gewend geraakt, zeker sinds ze een paar jaar geleden met een aantal andere vrouwen aan de wieg stond van de ’één-miljoen-handtekeningen’-campagne, die strijdt voor het schrappen van een aantal vrouwonvriendelijke wetten (zie kader). Het verzamelen van die handtekeningen gaat langzaam, ondanks honderden activisten in twintig steden: „Sommige mensen zijn het er simpelweg niet mee eens, anderen zijn bang dat de formulieren ongewild in handen van de regering vallen.”
Helemaal denkbeeldig is dat niet. De activisten van de campagne worden scherp in de gaten gehouden door de autoriteiten, vertelt Ardalan. In het begin konden zij de handtekeningen nog open en bloot verzamelen in parken of de metro. „De autoriteiten wisten niet zo goed wat ze met een vrouwenbeweging en zo’n burgerinitiatief aanmoesten. Maar na een maand of wat kregen we te horen dat we een bedreiging vormden voor de nationale veiligheid. In de metro hebben ze toen een activiste gearresteerd, en zo ging het door. Tot nu toe zijn meer dan vijftig mensen gearresteerd en weer vrijgelaten.”
Vorige week nog kwam een Iraans-Amerikaanse studente op borgtocht vrij, die ruim een maand vastzat in de beruchte Evin-gevangenis in Teheran. Ook zij vormde een ’gevaar voor de nationale veiligheid’, omdat ze leden van de vrouwenbeweging op video had geïnterviewd. Haar vader moest een extra hypotheek op zijn huis nemen om de borgsom van 200.000 dollar te kunnen betalen.
Opsluiten is niet de enige methode van de Iraanse overheid– de controle is verfijnder en uitgebreider geworden. „De laatste strategie is om vooral nieuwe vrijwilligers lastig te vallen”, stelt Ardalan. „Laatst werd een activiste niet geaccepteerd op de universiteit, iemand anders is ontslagen.” Ook de privésfeer is niet heilig. „De autoriteiten proberen samenkomsten bij vrouwen thuis te onderbreken. Dan belt de politie aan, en moet je stoppen met de vergadering.” Hoe ze weten van zo’n bijeenkomst? „Ik weet het niet, misschien via onze e-mail, of telefoons.” Ardalan wijst naar het plafond van haar appartement– ze sluit ook niet uit dat er afluisterapparatuur zit. „Ik ben daar niet optimistisch over.”
Optimistisch is ze wel nog steeds over de campagne. „De repressie neemt toe, maar wij worden ook sterker. Wij gaan gewoon door.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.