Niet één Willie Wortel, maar honderden uitvinders moeten aan de slag om de wereld van de ondergang te redden, betoogt de journalist Thomas Friedman. De VS hebben met een nieuwe president de kans een groene revolutie tot stand te brengen. Obama moet de Amerikanen dan wel zien te overtuigen dat het menens is.
Wij Amerikanen zijn lekker groen bezig, schrijft Thomas Friedman. Iedereen heeft het over een groene revolutie. ’Groen’ was in 2007 de meest gebruikte handelsterm in de VS. Wie even googelt, vindt zo tientallen boeken in de categorie ’205 eenvoudige manieren om de wereld te redden’. Kolenbedrijven noemen zich tegenwoordig groen. Zelfs Al-Kaida is er achtergekomen, ontdekte Friedman, dat ze in deze wereld niet meer meetelt als ze het milieu niet ter harte neemt.
Tijd voor de columnist van The New York Times om op de rem te trappen. „Dus dit verstaan jullie onder een groene revolutie?”, schrijft hij in ’Hot, Flat and Crowded’. „Hebben jullie ooit gehoord van een revolutie waarbij geen gewonden vallen? Een revolutie met alleen maar winnaars? Amerika maakt geen groene revolutie door, dit is een groen feestje.”
Om de wereld echt te redden zijn drastische ingrepen nodig. In 2050 moeten de rijke landen hun CO2-uitstoot hebben teruggebracht tot 10 procent van het huidige niveau. Daar werken we aan, schrijft Friedman cynisch. In 1997 heeft de wereld in Kyoto afgesproken de uitstoot van CO2 te verminderen. „Sindsdien hebben we de groei ervan verdrievoudigd. Dat is onze groene revolutie.”
Het is Friedman ten voeten uit. Voortdurend zet hij zijn lezers op het verkeerde been. Begin je je als Europeaan net te ergeren aan zijn Amerikaanse optimisme –’de klimaatcrisis is geen probleem, het is een reeks geweldige kansen, vermomd als onoplosbare problemen’– dan laat hij met een kwinkslag zien dat hij heus wel weet hoe de hazen lopen. „Mensen denken dat de klimaatcrisis zoiets is als de reis met de Titanic en dat we de ijsberg moeten zien te omzeilen. Maar zo is het niet. We zijn al op de ijsberg gebotst, het water stroomt het ruim al binnen, maar sommigen willen de dansvloer niet verlaten, terwijl anderen nog zo veel mogelijk van het buffet proberen mee te pikken.”
Drie jaar geleden stond Friedman zelf op het verkeerde been. In ’De aarde is plat’ beschreef hij hoe moderne technologie allerlei barrières slecht. Met name internet zou mensen in ontwikkelingslanden meer kansen geven omdat ze op hetzelfde speelveld als wij kunnen opereren.
Maar er is meer aan de hand dan dat, weet Friedman nu. De wereld warmt op en het wordt druk op aarde. En dan niet eens zozeer omdat er in 2050 naar verwachting negen miljard wereldburgers zijn, maar vooral omdat zoveel mensen ons fossiele pad willen volgen. Carbon copies, noemt hij al die Indiërs en Chinezen die ook een auto willen, een koelkast en een vliegvakantie (in de Nederlandse vertaling zijn het ’getrouwe kopieën’, maar dan gaat de woordgrap verloren; een carbon copy is een ouderwetse doorslag, een carbonnetje, maar betekent letterlijk: koolstofkopie).
Hij neemt hun dat kopieergedrag niet kwalijk, hij zou als Amerikaan niet eens durven, maar voor ons voortbestaan is het funest. Friedman is pessimistischer dan Al Gore of het IPCC, het klimaatpanel van de VN, en daar heeft hij wel een punt. De voorspellingen van het IPCC zijn gebaseerd op geleidelijke trends. Plotselinge veranderingen, daar rekent het IPCC niet graag mee. Maar de wetenschap kent ze wel. En tegenover iedere omslag die de huidige trend dempt, staan er wel tien die het klimaat op hol laten slaan, betoogt Friedman. „Al Gore zou eigenlijk zijn excuses moeten aanbieden. Voor het feit dat hij de opwarming onderschat.”
Voor wie dat te ver vindt gaan, heeft Friedman andere argumenten waarom wij van onze olieverslaving moeten afkicken. De financiering van Al-Kaida bijvoorbeeld. „Zonder overdrijving, wij financieren in de oorlog tegen het terrorisme beide zijden. Het Amerikaanse leger krijgt ons belastinggeld, en Al-Kaida, Hezbollah of Hamas worden via Saoedi-Arabië gesubsidieerd met onze oliedollars.”
Daarom was 11 september zo’n gemiste kans voor president Bush. Toen hij op de puinhopen van de Twin Towers stond, had hij niet de oorlog moeten verklaren aan Al-Kaida, hij had moeten zeggen: ’Laat die Osama bin Laden maar in zijn sop gaar koken, wij Amerikanen zweren vanaf nu de olie af en schakelen over op duurzame energie.’ „Op dat moment was het Amerikaanse volk rijp voor zo’n ommezwaai.”
Nu moet Barack Obama het doen. Het kan nog steeds, schrijft Friedman en hij schetst een toekomst waarin iedereen heel slim gebruik maakt van schone energie. Opnieuw bekruipt je als lezer het gevoel dat hij zijn groenroze bril heeft opgezet, maar opnieuw weet Friedman het zo te brengen dat je met hem meegaat.
Hij weet dat we niet moeten gaan wachten op die ene Willie Wortel met dat gouden idee. Tienduizenden uitvinders moeten aan het werk in evenzoveel garages en laboratoria. Hopelijk rollen daar voldoende ideeën uit, maar in elk geval moet de overheid de voorwaarden scheppen waardoor zo’n idee tot volle wasdom kan komen. Een bodemprijs voor de olie, richtlijnen voor het energieverbruik van auto’s of apparaten, subsidies voor groene stroom.
Dan kan het lukken, hoopt Friedman. Amerika heeft het potentieel om het te doen, en moet het ook doen. Omdat het goed is voor Amerika om groen te worden. Omdat wij als grootverspillers daartoe moreel verplicht zijn. En omdat Amerika voor grote delen van de wereld nog altijd het gidsland is.
Waarom doen jullie het dan niet, krijgt hij altijd op zijn buitenlandse reizen te horen. Tja, pijnlijk punt. Twee voorbeelden. In 2002 besloot een Californisch elektriciteitsbedrijf om Los Angeles van windenergie te voorzien. De windmolens stonden er al, maar de hoogspanningslijnen die de 4400 kilometer moeten overbruggen, zijn naar verwachting pas in 2013 gereed. Zolang duurt het tegenwoordig voordat alle bezwaren van burgers en bedrijven zijn afgehandeld. „Dit is de brede variant van nimby (not in my backyard). We worden een banana-republiek: build absolutely nothing anywhere near anything (bouw absoluut nergens niks naast wat dan ook).”
Ook het tweede voorbeeld komt uit Californië. Twee jaar geleden wilde de overheid belasting heffen op olie die in de staat werd gewonnen, om daarmee alternatieve energie te stimuleren. Het plan werd in een referendum verworpen; oliemaatschappijen brachten het volk op andere gedachten met een reclamecampagne die hen honderd miljoen dollar kostte. Ongeveer evenveel als de hele campagne waarmee Bill Clinton in 1992 president werd.
Konden we maar voor één dag China zijn, verzucht Friedman. Vorig jaar kregen alle Chinese winkeliers een brief van de staat: vanaf 1 juni 2008 is het verboden de koopwaar in gratis plastic zakjes mee te geven. Klaar! Konden wij dat ook maar. De president vaardigt op één dag alle regels en maatregelen uit die nodig zijn voor de groene revolutie.
Eén dag, herhaalt Friedman. Niet langer. Op dag twee hebben we ons systeem weer nodig. Want in China smoren al die oekazes in de onwil en corruptie van lokale bestuurders en bedrijven. In de VS staan op de tweede dag de burgers klaar om erop toe te zien dat de nieuwe wetten worden nageleefd. „Wij klagen de overtreders aan, desnoods tot aan het Hooggerechtshof toe.”
Een groene economie is een mensenrecht, vindt hij. En die vergelijking wil hij nog wel even doortrekken. Op 28 augustus 1963 togen een miljoen mensen naar Washington om naar de droom van een dominee te luisteren. Vijfendertig jaar later ging Friedman naar dezelfde plek om te spreken op het Earth Day concert. Ook toen was er een grote menigte op de been, maar het was duidelijk dat de belangstelling dit keer meer uitging naar de band die na Friedman op het programma stond.
Amerika heeft een nieuwe president, die, staande op de puinhopen van de kredietcrisis, net zo’n kans heeft als Bush na 9/11. Obama heeft ook de verwachting gewekt dat hij die kans zal grijpen. Maar dan heeft hij een volk nodig dat net als in 1963 beseft dat het menens is. Dat bereid is te strijden voor zijn rechten.
Dat is wat anders dan naar een groen popfeestje gaan om naar muziek te luisteren. Pas als politici geloven dat het publiek offers wil brengen voor de groene revolutie en dat het van hen eist om de dwarsliggers aan te pakken, zullen ze de strijd met de oliemaatschappijen en hun advocaten aangaan. „Maar zolang de bevolking aangeeft alleen geïnteresseerd te zijn in die 205 eenvoudige manieren om de wereld te redden, zal geen politicus proberen dat verschil te maken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.