amsterdam – In Amsterdam-Zuid is in een voorkamer een interieur van een Joodse familie ontdekt. Het verkeert nog geheel in de staat waarin het in 1942 werd achtergelaten, toen de bewoners werden afgevoerd naar concentratiekampen. De gemeente moet het eigenlijk aankopen, vinden Amsterdamse historici.
„In het Anne Frank Huis zijn bijna alle authentieke elementen weg”, zegt Rob van der Laarse, erfgoedhistoricus aan de UvA. „Hier is alles nog zoals het was toen het Joodse gezin daar woonde. Dat is dus niet alleen interessant voor kunsthistorici, het hoort bij het erfgoed van Amsterdam. Daar wil elke Amerikaanse of IsraĆ«lische toerist natuurlijk naar komen kijken.”
Alexander Westra, universitair docent erfgoedstudies aan de UvA, trof de kamer vorig jaar aan toen hij meewerkte aan een project om historische interieurs in Amsterdam in kaart te brengen. „De kamer vertelt op een heel directe manier het verhaal van de ondergang van de Amsterdamse Joden.”
In 1942 werd de familie van bankier Lodewijk Korijn, die eerder dat jaar gestorven was, op transport gesteld. Zijn vrouw Debora stierf, net als Anne Frank, in maart 1945 in Bergen-Belsen. Hun drie dochters kwamen in 1943 om het leven in Sobibor en Auschwitz. Na de oorlog werd het pand in de J.J. Viottastraat gebruikt als studentenhuis. De voorkamer werd een gemeenschappelijke ruimte, maar de studenten veranderden er nooit iets aan. Het is buitengewoon zeldzaam dat een Amsterdamse School-interieur de tijd zo gaaf doorstaat.
Onlangs kocht vastgoedontwikkelaar Lebo het pand. Daarom moet de Amsterdamse politiek in actie komen, vinden de twee historici, die bezorgd zijn over de toekomst van het erfgoed.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.