*

 

Smaakmaker Wilders

Sylvain Ephimenco − 19/09/08, 20:51

Er zijn commentatoren die in Geert Wilders de grote smaakmaker van de algemene beschouwingen zien. Hij vervalt in herhalingen, geven ze toe, en zijn toon roept weerzin op, maar hij kaart wel de problemen aan.

Toch willen zijn opponenten niet met de PVV-leider debatteren, hoor je dan. Alsof Wilders op een vruchtbare uitwisseling van meningen uit zou zijn. Dit zou juist het einde van zijn uitzonderingspositie betekenen. Als een geëmotioneerde Balkenende hem de oren wast, blijft Wilders rustig en onbewogen. Waarom zou hij ingaan op de (tegen)argumenten van Balkenende? Zijn doel – de premier uit zijn tent lokken – is al bereikt. En dat moeten zijn potentiële kiezers duidelijk kunnen waarnemen: alleen hij, Wilders, kan het hoofd van de premier op hol brengen. Dat de man niet op een echt debat uit is, kan men uit zijn bijdrage aan de algemene beschouwingen aflezen. Deze tekst die Wilders, vermomd als boze burger, declameerde, is in feite in alle rust en met koelbloedigheid geschreven. Het heeft tot doel een maximaal effect in weinig tijd te sorteren en door een reeks beschimpingen en beledigingen het debat met zijn tegenstanders onmogelijk te maken. Want wie zijn deze tegenstanders die Wilders in zijn tekst met modder besmeurt? Het zijn de ’linksen die aan het belastinggeldinfuus liggen en voor zichzelf een baantje hebben geregeld bij een subsidieslurper’. (*) ’De beroepsmoslims, beroepsklimaatfundamentalisten, beroepsbestuurders.’ Ze hebben een ’ruggengraat vol slagroom’ en ’liever een dikke bankrekening dan principes’. En als ze minister van justitie, integratie of binnenlandse zaken zijn geworden, ’kijken al deze laffe bestuurders de andere kant op’. Laf, profiteurs, corrupt en week: deze terminologie kon rechtstreeks aan de antisemitische en extreemrechtse pamfletten van Céline zijn ontleend. En voor wie komen ze op? Voor de moslimkolonisten die christenen ’bij het uitgaan van de kerk bespuwen’ en nederzettingen stichten in Gouda, Roermond, Ede of Amsterdam. Al in het vliegtuig naar Nederland wordt ze geleerd: ’Jij stemme op Wouter Bos, hij jou geve uitkering.’ Maar als ze eenmaal hun kolonie hebben gesticht accepteren ze met gretigheid ’onze uitkeringen, onze huizen, onze dokters’ om vervolgens te dreigen: ’Over tien jaar zijn wij hier de baas. En dan gooien we die kankerkoningin er ook meteen uit.’ Dit is niet de taal van een smaakmaker, maar van een calculerende politicus die op zijn blauwe stoel met geduld op de volgende burgeroorlog wacht. Hij strijdt eenzaam, fier en is ’verketterd in de Kamer, beschimpt door de staatsomroep, bespuugd door de linkse subsidieslurpers, verguisd door de vette, volgevreten links-liberale grachtengordelelite.’ Jazeker, Wilders kaart de pijnpunten aan en die zijn gigantisch. Er is inderdaad een torenhoog Marokkaans probleem in dit land dat de moslimgemeenschap, op enkele uitzonderingen na, weigert te benoemen, laat staan aan te pakken. Maar Wilders levert geen bijdrage aan een eventuele oplossing. Hij voedt zich juist met dit rottingsproces dat hem minder eenzaam, maar groter en sterker maakt.
mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />