*

 

Hommage aan een naamloos kind

Monic Slingerland − 29/10/08, 00:00

Corien van Zweden zag met verbazing hoe de dood van een stevig taboe in een soort hype veranderde. Ze wilde er een boek over schrijven, en stuitte op het verhaal van haar oudste zusje dat in 1960 doodgeboren werd. Na veertig jaar vroeg ze haar ouders naar ’het kindje’.

  • Corien van Zweden: ¿Er moest iets doorbroken worden. Dat ik het recht had om iets over mijn zusje te zeggen¿.   ( FOTO MARK KOHN)
    Corien van Zweden: ¿Er moest iets doorbroken worden. Dat ik het recht had om iets over mijn zusje te zeggen¿. ( FOTO MARK KOHN)
  •  (\N)
    (\N)
  •  (Trouw)
    (Trouw)

Ineke, de moeder: „Het was eind juli en ons eerste kind zou komen. We woonden toen nog in Goes, in 1960. Ik voelde geen leven meer en de dokter stuurde me voor de zekerheid naar de gynaecoloog. Die zette zo’n houten toeter op mijn buik, luisterde, en zei toen dat ik me er maar niet te veel van moest voorstellen.”

Corien, de dochter: „Je had heel hoge bloeddruk en zwangerschapsvergiftiging. Die arts had daar beter op moeten letten.”

Ineke, de moeder: „We hebben toen iedereen gebeld. Mijn ouders waren voor vakantie in Amerika, die kwamen eerder terug. Ik was pas de 16de uitgerekend. Mijn jongste broer, met wie ik een bijzondere band had en heb, kwam ook.”

Kees, de vader: „Er was echt ontreddering.”

Ineke: „Op vrijdag 5 augustus is het geboren. Dat gebeurde in het ziekenhuis, voor alle zekerheid. Ik lag op de kraamafdeling, maar had wel een kamer voor mezelf. Toen het geboren was hebben ze me nog aangeboden om het te zien.”

Kees: „Ik ben naar huis gegaan en heb daar de babykamer opgeruimd.”

Corien: „O ja?”

Ineke: „We hadden een geborduurd kleed met kinderspelletjes, dat had mijn zus gemaakt.”

Kees: „Ik heb alles in het berghok gedaan.”

Ineke: „Ze lieten ons in het ziekenhuis de keuze om het kind te zien. Maar de instelling was wel: voorwaarts en vooral vergeten. Ik wilde het niet zien.”

Kees: „Ze boden van de kerk aan om tijdens de eerste dienst dat we er weer waren ervoor te bidden.”

Ineke: „Dat collectieve aaach, dat je door de kerk voelde gaan, dat wilde ik niet.”

Kees: „De eerste keer dat we weer naar de kerk gingen was het zo vol. Er was alleen plaats naast het doopvont.”

Ineke: „Gelukkig zag een vriend van ons dat. Hij nam me mee naar een andere plaats.”

Kees: „Ik ben bij de begrafenis geweest. Het was een klein kistje. De begrafenisondernemer droeg het zo onder zijn arm. Er was verder niemand bij.”

Ineke: „Ik lag nog in het ziekenhuis. Dat was vroeger zo. Je bleef daar een paar dagen. Tegenwoordig gaat dat anders. Net zoals met namen.”

Corien. „Annie M.G. Schmidt was het derde kind uit het gezin dat zo heette. Die andere twee waren doodgegaan.”

Ineke: „Cornelia Helena. Die namen hadden we voor het eerste kind bedacht.”

Corien: „De eerste Corien en de tweede Corien.”

Ineke: „Een naam is belangrijk.”

Kees: „Een naam staat in de Bijbel voor een complete identiteit. Maar we deden wat in die tijd gewoon was. Het kindje is naamloos gebleven.”

Ineke: „Voor mezelf noem ik het: kindje. We zouden erover kunnen peinzen om het alsnog een naam te geven.”

Kees: „Ik kon het niet aan om het kindje nog te zien. Ik heb daar altijd spijt van gehad.”

Corien: „Uit de interviews die ik gehouden heb, en wat ik erover gelezen heb, blijkt dat de confrontatie met het overleden kind nodig is om te verwerken. Dat leert de ervaring van zoals het na 1980 is gegaan. In de loop van de jaren tachtig is het inzicht daarover veranderd. Tegenwoordig maken ze in het ziekenhuis altijd een foto van een overleden kindje, dan kunnen ouders altijd nog kiezen of ze die willen zien.”

Ineke: „Tegenwoordig gaat het heel anders. Ik hoor wel eens dat er een afdruk wordt gemaakt van het voetje of dat er een haarlokje wordt afgeknipt om te bewaren.”

Corien: „Als kind vroeg ik me af hoe dat in de hemel zou gaan, als God ons riep om te eten. Met welke naam zou hij dat zusje noemen? Ik had wel fantasieën dat we met zijn drieën speelden, met mijn jongere zus erbij. Maar ik kon me bij mijn oudste zusje geen persoon voorstellen, omdat ze geen naam had.”

Ineke: „Op een avond zaten de kinderen samen in bad.”

Corien: „Jij stond tegen de wasmachine geleund. Ik was vier, of vijf, en toen vertelde je het. Je zei: ’Jullie hebben een zusje gehad, maar ze is dood’.”

Ineke: „Ik weet het nog.”

Corien: „Je zei dat we er niet over mochten praten.”

Ineke: „Ik bedoelde dat niet als een verbod. Meer dat je dat niet aan iedereen moest vertellen.”

Corien: „Ik voelde de zwaarte, het was van een andere orde dan andere dingen in het leven. Ik heb er zelfs nooit met mijn jongste zus over gepraat.

Ik kreeg het plan voor een boek over nieuwe manieren om met de dood om te gaan en daarvoor ging ik uitzoeken sinds wanneer er open over gepraat wordt. Bij de uitgever kwam een keer het zusje ter sprake. Mijn redacteur zei dat ik daarover moest schrijven. Mijn reactie was: nee, dat wil ik absoluut niet, daar mag ik niet over praten, ik weet de datum van haar dood niet eens.”

Ineke: „5 augustus, kwart voor twee.”

Corien: „Ik schoof het steeds voor me uit, of zette het aan de kant. Op een dag haalde ik mijn oudste dochter op, die bij een vriendinnetje speelde. Ik stond voor de voordeur, belde aan. Dat vriendinnetje, ze was vier, deed deur open. In haar hand had ze iets dat ze me liet zien. Het was een foto van haarzelf met haar dode babyzusje op schoot. Het meisje had maar acht dagen geleefd. Ik begon, tot mijn stomme verbazing, te huilen. De moeder van dat meisje heb ik nu geïnterviewd voor het boek. Dat is een van de gesprekken waarmee ik laat zien hoe er tegenwoordig wordt afscheid genomen van een overleden kind.”

Kees: „Jouw geboorte heb ik bijna gemist. Ik werkte toen in Groningen.”

Ineke: „We woonden inmiddels in Middelburg.”

Kees: „Ik was er net op tijd.”

Ineke: „Ik heb geschreeuwd: ’Het lééft’. Mijn moeder was er, die kwam binnen.”

Kees: „Het verleden veroudert niet. Het voelt nog altijd zwaar. Het is alsof het nu is.”

Corien: „Ik heb het twee jaar voor me uitgeschoven, het was te beladen om erover te schrijven. Ik durfde er niet met jullie over te beginnen. Om jullie te beschermen, denk ik. Het voelde als impertinent, als schandalig om erover te praten en zeker om er ook nog over te schrijven. Ik had subsidie gekregen voor het boek, ik voelde de verplichting om het af te ronden, maar het was nog steeds niet af en we zouden een paar maanden naar de Verenigde Staten gaan. Ik vond het te moeilijk om jullie te vragen of we er een keer over konden praten. Op internet kwam ik een lotgenotengroep tegen voor ouders die een kind verloren hebben. ’Lieve engeltjes’ heette die groep. Ik had moeite met die naam, maar bleef toch lezen.

Er was een maillijst voor ouders die hun kind voor 1980 hadden verloren. Velen hadden jarenlang over hun verlies gezwegen. Op die lijst vertelde ik dat ik niet over mijn dode zusje durfde praten met mijn ouders en dat ik hen al helemaal niet durfde vertellen dat ik aan dit boek werkte. Iemand reageerde: ’Als mijn dochter zou vragen om erover te praten voor een boek hierover, zou ik het een eer vinden’. Toen dacht ik: ’Waarom zouden ze boos zijn als ik het vraag’? Op de valreep, vlak voor ik naar Amerika zou gaan, hebben we afgesproken. Ik had er slecht van geslapen, ging er op de fiets heen, met een print van een paar hoofdstukken van het boek in een mapje.”

Ineke: „Of ik opgelucht was om erover te praten? Weet ik niet. Jij?”

Kees: „Ik wel. Ik ben me altijd schuldig blijven voelen dat het naamloos gebleven is.”

Ineke: „Ik wist niet dat jij bij de begrafenis geweest was.”

Corien: „Dat is toch verbijsterend.”

Ineke: „Ik herinner me dat op een dag werd aangebeld. Ik deed open. Het was de begrafenisondernemer met de nota. Die man deed schutterig. Mijn moeder was er ook. Zij heeft het formulier ingevuld, ik kon het niet. Het nummer van het grafje stond erop. Ik ben er een keer geweest. Het was in november. Ik was op de fiets. In die tijd had ik het heel druk. Misschien was dat wel goed, toen.”

Corien: „We hebben er maar één keer over gepraat. Daarna ben ik naar de VS gegaan, heb het boek daar afgemaakt. Het voelde als verraad, om over het zusje te praten en te schrijven, het voelde heftig en zwaar.”

Ineke: „Ik beschouw het boek van Corien als een hommage achteraf. Ik ben blij dat het ter sprake komt. Nu ben ik 77 en ik loei niet bepaald van kracht.

Eindelijk kan het kindje een naam en een plaats krijgen. Ja, daar is wel opluchting.”

Corien: „Dat het er toch van gekomen is. Er moest iets doorbroken worden. Dat ik het recht had om iets over mijn zusje te zeggen. Anderen moesten mij ervan overtuigen, met aardig wat moeite. Er was te veel verdriet en beladenheid.

Kinderen die hun ouders verliezen heten wezen, en je hebt weduwes en weduwnaars. Maar voor ouders die een kind verliezen is geen woord.”

Kees: „Ik heb altijd gedacht dat ik het kindje eens zal zien, zal weerzien.”

Corien: „Voor de presentatie van ’De Kunst van het Rouwen’ is een kamer op de uitgeverij gekozen. Dat blijkt de engeltjeskamer te zijn.”



Corien van Zweden, ’De Kunst van het Rouwen. Een persoonlijke geschiedenis. L.J. Veen, 18.90 euro.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />