*

 

Oude momentopnamen

Seije Slager − 22/10/08, 00:00

Christiaan Andriessen legde vanaf 1805 drie jaar lang het dagelijkse leven vast. Bijna fotografisch en met veel gevoel voor timing.

  • (\N)
  • Rechts, van boven af: De Weesperschuit op de Amstel, Sneeuwstorm langs de Amstel, en Op zoek naar een oorring. (Trouw)
  • (Trouw)
  • Kelet chanteert oom Christiaan. (Trouw)
  • (Trouw)

Een scène uit het atelier van de schilder. We schrijven 11 september 1806, en Christiaan Andriessen zit ingespannen te schetsen. Ineens komt zijn nichtje Kelet binnenstormen. Ze valt hem lachend om de nek, werken is er niet meer bij. ’Waar is het sleuteltje waar is het sleuteltje ik schey niet uit voor dat ik het heb!’, tettert ze in haar ooms oren.

Wat oomlief precies voor zijn nichtje verborg, en of hij uiteindelijk aan haar toegaf, dat is prijsgegeven aan de tijd. Maar het vrolijke tafereel zelf is voor ons bewaard gebleven. Het Stadsarchief van Amsterdam stelt de komende maanden een selectie uit het getekende dagboek van Christiaan Andriessen ten toon. Dat hield hij bij tussen 1805 en 1808.

Andriessen tekende zichzelf en zijn directe familie in huiselijke situaties, en ging de straat op om daar taferelen vast te leggen. Vaak zijn de tekeningen voorzien van een regel tekst, een ironische kwinkslag of een citaatje, zoals in de hiervoor beschreven atelierscène.

Hij was een gedisciplineerd werker; op 1 januari 1805 begon hij met zijn dagboek, in december 1808 hield hij er weer mee op. Waarom hij het die drie jaar bijhield, is onbekend. Annemieke Hoogenboom, samensteller van de tentoonstelling: „Dat is lastig vast te stellen. Het meeste wat we van hem weten, is via deze dagboeken. Verder zijn er weinig documenten over zijn leven.”

In sommige tekeningen oefent hij duidelijk met rare poses en perspectieven. Hoogenboom wijst op een tekening van een schippersknecht, die helemaal voorover gebogen staat, en tussen zijn eigen benen doorkijkt. Een bloed na het hoofd zakken actie, meldt het bijschrift. „Zo’n pose zie je nergens anders, begin negentiende eeuw.”

Maar de tekeningen zijn toch duidelijk meer dan slechts studies. Ze hebben namelijk weinig te maken met het ’serieuze werk’ van Andriessen. Al zijn schilderijen zijn inmiddels verloren gegaan, maar we weten wel dat hij zich toelegde op in die tijd geëigende genres, zoals historiestukken. De tekeningen waren waarschijnlijk bedoeld als dagboek voor een kleine kring van familie en bekenden. Sommige onderschriften zijn dan ook in geheimschrift opgetekend. Zodat niet iedereen kon meegenieten van alle intieme details. Bijvoorbeeld als Christiaan, die de kost verdiende als tekenleraar, weer eens genegenheid had opgevat voor een van zijn bevallige jonge studentes.

De tekeningen passen daarmee in hun tijd. Het persoonlijke dagboek en de brief waren de literaire genres bij uitstek die in de tweede helft van de achttiende eeuw in opkomst waren, ongeveer in dezelfde tijd dat ook in de politiek het ’individu’ zijn rechten op ging eisen. In de schilderkunst was de thematiek van het ’ik’ een stuk minder gebruikelijk. Daarin is Andriessen zeer origineel.

Behalve dat ze origineel zijn, ontroeren de tekeningen ook, als eenvoudige momentopnamen van heel lang geleden. Het dagelijks leven ging gewoon zijn gang, tegen de achtergrond van de grote veranderingen die zich om Andriessen heen voltrokken. De eerste luchtballon vloog boven Amsterdam; Andriessen tekent twee mannen die naar de hemel wijzen. ’Ik wenschte wel eens een reisje na de maan te doen’, zegt de een. En als een regiment Franse soldaten door de straten marcheert, zie je die in de tekening slechts heel vaag op de achtergrond. Alle aandacht gaat uit naar een jongetje dat door een raam staat te kijken, en opgewonden de komst van de indringers aankondigt.

De stijl van Andriessen is daarbij bijna fotografisch te noemen, hoewel het nog tientallen jaren zou duren voordat Louis Daguerre een enigszins scherpe foto wist te produceren. De ’camera obscura’ bestond al wel. Op een van de tekeningen zie je Andriessen door zo’n apparaat kijken. Annemarie Hoogenboom: „Die blik zie je terug in de manier waarop hij tekende. Het zijn echt uitsneden uit de werkelijkheid. Soms valt een been half naast een doek, of komt ineens een ladder het beeld binnen.”

Kiekjes dus, in tegenstelling tot de gecomponeerde voorstellingen die de schilderkunst toen nog domineerden. Ze zijn vaak candid, zoals we dat tegenwoordig zouden noemen. Andriessen had dan ook een geweldig gevoel voor ’timing’.

Hoogenboom wijst op een op het eerste gezicht spookachtige tekening. Een lantaarn werpt een raar schijnsel op een binnenruimte. Twee handen zweven bovenin een deuropening. En een man met een hoed kijkt op. „Dit is het benedendek van de trekschuit die hij altijd nam”, verduidelijkt Hoogenboom. „Achter die deuropening zit een trap naar boven. En Andriessen legt precies het moment vast dat iemand van de trap afkomt, en alleen zijn handen nog te zien zijn. Dat hij ver voor de fotografie al besefte dat er net één fractie van een seconde bestaat waarin deze opstelling zich voordoet, en dat hij die fractie ook tekende, dat is echt heel bijzonder.”

Had hij dit soort technieken ook maar in zijn serieuze schilderwerk gebruikt, verzucht Hoogeboom. „Maar hij probeerde door te breken met het soort schilderijen dat iedereen destijds schilderde. Als hij had beseft hoe bijzonder zijn eigen blik was, had hij nu misschien wel in de hermitage gehangen.”

mailIcon print |