*

 

Nederlanders romantiseren het platteland, vol koeien in de wei

Onno Havermans − 21/10/08, 00:00

Koeien in de wei, boerderijen en veel groen: we hebben een idyllisch beeld van het platteland. Velen zouden er graag wonen.

  • Twee fietsers pauzeren in Drenthe. Nederlanders zijn dik tevreden over het landelijk gebied, waar ze graag ¿van de natuur genieten¿. (FOTO OLAF KRAAK, ANP)

Varkensstallen, kassen en windmolens. Ze zijn er wel, maar we willen ze niet zien. Nederlanders koesteren een ouderwets beeld van het platteland, zo blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Bijna een op de drie Nederlanders is van plan er ooit (weer) te gaan wonen, voor de rust, de ruimte en het groen.

„Die idylle is een wensbeeld, het platteland van de jaren vijftig”, zegt onderzoekster Anja Steenbekkers. „De mensen weten ook wel dat er nu varkensschuren staan, dat het land dat ze in hun hoofd hebben niet meer bestaat. Maar zo willen ze het platteland wel blijven zien. Ze snappen dat het verandert, maar ze zien liever nieuwe natuur ontstaan dan nieuwe bedrijven en recreatiewoningen. Veel boeren denken daar trouwens net even anders over.”

Zowel de bewoners van het platteland als stedelingen zijn dik tevreden met het landelijk gebied, waar ze graag wandelen, fietsen of domweg ’van de natuur genieten’. Jongeren zijn het minst enthousiast. Maar met z’n allen waarderen we ons platteland met een 7,4. Toch is dat niet genoeg, vindt minister Gerda Verburg (landbouw, natuurbeheer en voedselveiligheid). Het rapportcijfer moet omhoog naar minstens een 8.

„Mensen willen koeien in de wei, maar dat is een geromantiseerd beeld”, zei Verburg toen ze gisteren het SCP-rapport ’Het platteland van alle Nederlanders’ in ontvangst nam. „Boeren hebben vaak goede economische redenen om hun beesten op stal te houden. Voedselproductie is nog steeds de belangrijkste taak van het platteland. En boeren zijn de onderhouders van het landschap. Ze moeten in die functie kunnen blijven. Zij kunnen het beeld van het platteland veranderen, maar dan moeten ze laten zien wat ze doen, en waarom.”

Dat kan heel goed, omdat uit het onderzoek ook blijkt dat vier van de vijf stedelingen interesse heeft in agrotoerisme. Ze willen ter plaatse producten van het land kopen, maar ook een kijkje nemen op het boerenbedrijf en er een paar nachten logeren. Dat biedt mogelijkheden. „De brede landbouw kan een groeimarkt zijn”, meent Steenbekkers. Verburg ziet mogelijkheden in de zorg. „AWBZ-erkenning als zorgboerderijen kan een stuk eenvoudiger. Daarover ga ik met staatssecretaris Bussemaker (volksgezondheid) in gesprek. Want het platteland heeft sterke punten als het gaat om herstel, ontstressen en welzijn.”

Volgens Verburg doet het platteland het goed dankzij sociale samenhang en tradities. „De zelfredzaamheid is groot, maar we kunnen niet verlangen dat mensen tot in lengte van dagen de zorg voor elkaar alleen opbrengen. Het platteland vergrijst sterker dan stedelijke gebieden en je mag er niet van uitgaan dat vrijwilligers altijd klaarstaan wanneer je voor je beweging op een rollator bent aangewezen. Gemeenten, provincies en het Rijk moeten extra geld vrijmaken om voorzieningen op peil te houden – ook tegen de eenzaamheid.”

De minister schrikt van het hoge aantal stedelingen dat jaarlijks naar het platteland verhuist: 160.000. Voor een groot deel gaat het om zogeheten quasi-stedelingen, aldus Steenbekkers. Mensen die ooit al eens op het platteland hebben gewoond voordat ze naar de stad trokken, bijvoorbeeld om er te gaan studeren. Sommigen keren terug als ze kinderen krijgen, die ze een veiligere omgeving willen bieden dan de stad, anderen kiezen na hun pensionering voor rust en ruimte. „Het platteland is vooral niet de stad”, vat Verburg samen. „Daarom moeten we het groen groen houden en niet voor elke stedeling een nieuw huis bouwen op het platteland.”

mailIcon print |