Na jaren vertraging komt het er nu toch van: het landelijk elektronisch patiëntendossier dat uitwisseling van patiëntengegevens makkelijker maakt.
Bij alle huishoudens valt de komende dagen een brief van minister Klink van volksgezondheid in de bus. Daarbij ook een folder met uitleg over het landelijk elektronisch patiëntendossier (EPD). Dat moet de uitwisseling van patiëntengegevens vergemakkelijken en kan medische fouten voorkomen.
Ook zit er in de envelop een formulier waarmee de burger bezwaar kan aantekenen tegen het uitwisselen van zijn of haar gegevens via het EPD. Via advertenties in huis-aan-huis-bladen en radiospotjes wordt de boodschap over het EPD er verder ingehamerd.
Er wordt een voorzichtig begin gemaakt met het EPD: eerst de elektronische uitwisseling van medicatie-gegevens en de waarneemdossiers ten behoeve van huisartsenposten.
Minister Klink roept iedere burger op zich wel drie keer te bedenken alvorens te besluiten niet mee te doen aan het EPD. Er zijn immers grote voordelen aan verbonden. Alleen al met een betrouwbare uitwisseling van medicatiegegevens kunnen naar schatting 19.000 vermijdbare ziekenhuisopnames per jaar voorkomen worden en 1200 vermijdbare sterfgevallen. Voor een patiënt is het ook prettig dat hij niet telkens weer zijn verhaal hoeft te doen.
Medewerking aan het EPD kan een zaak van leven of dood zijn. De Groninger die in Zeeland een zwaar verkeersongeluk heeft gehad en buiten bewustzijn is, heeft een probleem als blijkt dat de artsen ter plekke niet kunnen beschikken over zijn relevante medische gegevens.
Het elektronisch patiëntendossier is niet een centraal opgeslagen computermap waarin alle gegevens van een patiënt – van huisarts, apotheek, ziekenhuis en medisch specialist – zijn opgeslagen. Nee, de gegevens blijven opgeslagen bij de diverse hulpverleners. Maar via een landelijk schakelpunt kunnen artsen en specialisten zich over een bijzonder streng afgescheiden deel van het internet (dus niet het normale internet) toegang verschaffen tot die gegevens. Dat kan alleen met instemming van de patiënt. Die bepaalt of de arts zijn gegevens überhaupt, en zo ja welke, mag bekijken.
Het systeem is veiliger dan de vele regionale systemen die artsen nu gebruiken. En ook veiliger dan de oude papieren dossiers die zo maar ergens kunnen rondslingeren, verzekert het ministerie van volksgezondheid. Een arts die toegang wil tot bepaalde gegevens zal zich aan het computersysteem bekend moeten maken met een speciaal pasje, de UZI oftewel de unieke zorgverlener identificatiepas. Komt de patiënt voor het eerst bij een zorgverlener dan zal hij deze zijn burgerservicenummer moeten geven om via het systeem na te gaan of hij is voor wie hij zich uitgeeft.
Patiënten krijgen eind volgend jaar zelf inzage in hun dossiers. Bij de Kamer ligt nog een wetsvoorstel waardoor artsen zich naar verwachting eveneens eind volgend jaar verplicht moeten aansluiten bij het systeem. Over ruim een jaar moeten alle zorgaanbieders zijn aangesloten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.