Elke ster heeft tegenwoordig zijn eigen geurlijn, maar dat is vaak niet meer dan marketing in een flesje. De consument heeft er genoeg van en wil weer een parfum met karakter. Op ambachtelijke wijze gemaakte geuren worden weer populair.
Binnen een uur is mijn parfum van dertien in een dozijn rijp voor de vuilnisbak. Remco Verbooij, adviseur en trainingsmanager bij Skins Cosmetics, een Nederlands bedrijf met vijf winkels in exclusieve producten op het gebied van huidverzorging, parfums en make-up, had me al gewaarschuwd. Wie eenmaal een ambachtelijk gemaakt parfum heeft geroken, wil geen zielloze, industriële rotzooi meer. Dat Verbooij veel van parfum wist, geloofde ik wel, maar dat laatste schaarde ik toch onder de verkooppraatjes.
Maar bij Lux, een van de vijf parfums van Mona di Orio, een jonge, Franse parfumeur, gebeurt het. Wat ik precies ruik weet ik niet, behalve citrus kan ik het niet benoemen, maar wel dat dit heel bijzonder is. Later lees ik dat er onder andere petitgrain bigarade (een distillaat van de twijgen en blaadjes van de sinaasappelboom), cederhout, sandelwood, musk en amber in zit. Al die ingrediënten zijn op de een of andere manier te onderscheiden. Zoals bij een muziekstuk: er is één melodie, maar je hoort wel de verschillende instrumenten. ’De parfums van Mona di Orio dansen op je huid’, had Verbooij ook gezegd. Heeft ie weer gelijk. Als je haar parfum net op je huid hebt, ruikt het anders dan na een paar uur. Die geur beweegt, inderdaad.
Verbooij leidt me rond over de parfumafdeling van Skins. Skins verkoopt exclusieve parfums van parfumhuizen die wereldberoemd zijn, maar die voorheen niet te krijgen waren in Nederland. Je vindt er bijvoorbeeld parfums van oude parfumhuizen als Creed, een Engels parfumhuis dat al bestaat sinds 1760, en van Coudray, dat in de negentiende eeuw behoorde tot een van de vijf grootste Franse parfumhuizen. Maar ook van jongere bedrijven als Diptyque, een Frans bedrijf dat werd opgericht in 1961 en Mona di Orio, die sinds vier jaar een parfumhuis heeft in Amsterdam.
Verbooij laat me parfums ruiken, noemt de ingrediënten en vertelt wat over de parfumhuizen, de parfumeurs en de geuren. Af en toe snuif ik aan een van de bakjes met koffieboontjes die overal in de winkel staan: je neus is snel verzadigd en als je nog parfum wilt ruiken, moet je af en toe je neus ’afleiden’. Aan het eind van de rondleiding geeft hij me monstertjes mee van de parfums van Mona di Orio. Kan ik ze rustig uitproberen.
De tijd nemen, dat past bij de filosofie van Skins, vertelt Verbooij: „Ik praat veel met klanten en geef ze onafhankelijk advies. Ik vraag wat ze willen, wat ze voelen bij bepaalde geuren, op welk moment ze een parfum willen dragen, enzovoort. En ik laat ze de geuren ervaren. Ik geef ze een proefmonster mee, zodat ze even met een geur kunnen leven voordat ze beslissen of ze hem willen kopen.” Klanten moeten zichzelf ook die tijd gunnen, zegt Verbooij, „een geur moet echt bij je passen.” Bij Skins vind je alleen geuren met karakter, vertelt Verbooij. „Geen industriële parfums die aan de man worden gebracht met een topmodel. Die ruiken chemisch en hebben totaal geen diepgang. Bij onze parfums gaat het niet om de marketing, maar om het product zelf, de ingrediënten.” Pr-manager Suzanne Klokke: „Bij Skins moet een parfum iets bijzonders hebben. Een merk moet passie uitstralen, het moet niet alleen gaan om geld verdienen. Daartoe beperken we ons assortiment: merken moeten in dit concept passen en de klant prikkelen.”
Ook Mona di Orio merkt dat consumenten inmiddels genoeg beginnen te krijgen van alle geuren die op de markt worden gekwakt om een popster of kledingmerk te promoten en die volstrekt inwisselbaar zijn. „Maar tegelijkertijd zijn mensen bang om wat nieuws uit te proberen. Ze vinden het soms een beetje eng om mijn parfums te kopen, juist omdat ze de geur nergens van herkennen.”
De consument heeft inmiddels zijn smaak ontwikkeld en kook- en wijncursussen lopen als een trein, maar onze reukzin is nog maar slecht ontwikkeld, aldus Di Orio. „We hebben ook weinig woorden voor geuren. We vergelijken het met muziek, of met kleur, maar we hebben er geen eigen woorden voor.” Ze verklaart die onderontwikkeldheid uit een oud taboe. „Ons reukvermogen en de smaakzin werden van oudsher niet hoog aangeslagen omdat het verbonden is met seksualiteit.” We zouden moeten leren ruiken, vindt ze. ”Je voelt je rijk als je dat leert. Je hebt meer toegang tot je emoties.”
Di Orio zelf heeft het vak geleerd van Edmond Roudnitska, algemeen beschouwd als de grootste ’neus’ – zoals meester-parfumeurs worden genoemd – van de twintigste eeuw. Hij creëerde klassieke parfums als Eau Sauvage, Dior Dior, Diorella, Eau d’Hermès, Eau de Thérèse. Dat was geen misselijke opleiding vertelt ze. Zes jaar lang kreeg ze vijf dagen in de week les van hem. En in het weekeinde las ze de boeken waarover ze samen spraken. Want Roudnitska leerde haar niet alleen alles over geuren: „Hij gaf me les in schoonheid.” Ze las over kunst en filosofie, luisterde naar klassieke muziek en ze leerde wijn drinken. „Om mijn bewustzijn te vergroten.”
Uiteraard leerde ze ook ruiken. „Ik kreeg oefeningen, elke week behandelden we een ander geurelement. Dan plukten we bijvoorbeeld lelietjes van dalen en ontleedde ik de bloemen. In het laboratorium moest ik dan een kopie leren maken van die geur. Elke week behandelden we een ander ingrediënt.” Later ging ze ook nog in de leer bij topkok Ducasse en bij een patissier, om haar smaak te ontwikkelen. „Alles om mijn zintuigen te scherpen en mijn fantasie te ontwikkelen.” Zo leerde ze langzaam maar zeker het vak van parfumeur.
Di Orio vergelijkt het ontwikkelen van een parfum met componeren. Het begint met een enkele noot en daaruit ontstaat een melodie. Daar blijft ze net zo lang aan schaven tot ze de ultieme harmonie heeft gevonden. Dat kan soms behoorlijk lang duren. Bij een paar van haar parfums duurde het negen maanden voor ze ze goed genoeg vond.
Daarom voelt ze zich wel kwetsbaar, vergeleken bij de grote merken. „De grote merken zien dat die nichemerken verkopen en gaan nu ook ambachtelijke parfums ontwikkelen. Maar zij hebben veel meer geld daarvoor dan ik.”
Dat ook bij grote bedrijven begint door te dringen dat de consument al die ’industriële’ geuren steeds minder waardeert, wordt bevestigd door journaliste Karin Swiers die net het in december te verschijnen boek Parfum heeft afgerond. „Tussen 2000 en 2008 zijn er 3755 parfums gelanceerd, zo blijkt uit onderzoek. Zelfs de vier multinationals die vijftig procent van de parfummarkt in handen hebben, geven grif toe dat dat er te veel zijn en willen meer karaktervolle parfums ontwikkelen. Daar is nu ook een markt voor: mensen willen zich met een geur onderscheiden en niet opgaan in de massa.”
Ook worden klassieke geuren weer op de markt gebracht, weet Swiers. Soms met een nieuw tintje. Zo heeft Givenchy aan haar klassieke parfums de geurstof van de beste oogsten van bepaalde bloemen van een bepaald jaar toegevoegd. Dat parfum is dus maar een paar jaar verkrijgbaar. En iedereen kan een ster worden met een eigen geur bij Guerlain. Daar kunnen mensen hun eigen parfum laten ontwikkelen. Dan wordt het wel heel exclusief. Dat kost 30.000 euro.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.