*

 

Guus Hendrichs 1940-2008

Wouter Bax − 08/10/08, 00:00

Zijn ongepolijste houding en zijn voetballiefde deden licht vergeten dat Guus Hendrichs pater was. Maar ’de totale mens’ was hem ernst.

’Je hoorde het misschien: het werd me bijna te veel”, vertrouwde pater-jezuïet Guus Hendrichs iemand toe na een begrafenis waarop een man en zijn twee jonge kinderen afscheid hadden moeten nemen van hun vrouw en moeder. Het was een van de weinige momenten dat hij iets van zijn eigen emoties liet doorschemeren.

Praten over zichzelf deed hij nooit. Alleen wie hem rechtstreeks iets persoonlijks vroeg, hoorde wel eens wat. Dat zijn vader administrateur van het Haagse Westeinde-ziekenhuis was geweest, bijvoorbeeld, en dat hij de oudste was in een gezin met nog drie broers dat zich tot ’de betere bourgeoisie’ mocht rekenen. In zijn zomervakantie bezocht hij steevast achtereenvolgens een jezuïetenhuis in de Amaliastraat in Den Haag, zijn ene broer en dan zijn andere broer, een tournee die hij met Kerst in verkorte vorm herhaalde. Maar dat hij dat deed, ontdekten zijn medebroeders slechts bij toeval.

Zelfs het feit dat hij pater was, bleef maar al te gemakkelijk onopgemerkt. Guus Hendrichs droeg wel eens een pak, maar bewoog zich toch het liefst in een zwarte spijkerbroek, een overhemd met opgestroopte mouwen en slippers, gecompleteerd met een groen legerjack en een rode helm als hij op zijn brommer zat. Zijn met krachtige stem gebezigde taalgebruik was tamelijk grof en volks; zijn leerlingen op het Canisius College in Nijmegen moesten er geen ’pestzooi’ van maken, anders zou hij ze ’met bank en al naar buiten flikkeren’. Bij feesten van de school stond de robuuste pater zelf als uitsmijter bij de deur.

Charmant was hij niet, innemend wel. Sommigen noemen hem een man met een gebruiksaanwijzing: op het eerste gezicht stuurs en streng – hij kon onder druk kortaf zijn. Ging iemand in een vergadering tegen hem in, dan gaf hij eerst rustig zijn argumenten. Hield het verzet aan, dan sloeg hij soms zo hard met de vuist op tafel dat voor het tafelblad moest worden gevreesd.

Maar dan ontdooide hij en menigeen herinnert zich zijn hartelijkheid, de felle pretoogjes achter zijn bril en de verrassende kwinkslagen die hij kon maken. Asterix en Obelix figureerden geregeld in zijn lessen Latijn. Oud-leerlingen herinneren zich ook momenten van ongekende uitbundigheid, zoals bokslessen en verwoede sneeuwballengevechten.

Vroomheid was hem hoe dan ook vreemd: hij stoorde zich niet aan de formaliteiten en rituelen die het geloof met zich meebracht. Ook de mis droeg hij gerust op in spijkerbroek. Of mensen daar aanstoot aan namen? Ongetwijfeld, maar hij vond dat de liturgie ruimdenkend moest worden uitgelegd. Als huisgenoot met zijn medebroeders – voordeurdelers, noemde hij ze wel – betoonde hij zich een praktische denker, die in plaats van de normale periode van zes jaar maar liefst vijftien jaar de ’overste’ was, verantwoordelijk voor het religieuze en praktische reilen en zeilen van het huis.

Zo ontdekte hij dat je als bewoners van een zelfde adres heel goedkoop aan een spoorwegabonnement kunt komen. Hij spande zich ook in om de zogenoemde buitenwoners bij het huis te betrekken. Dat zijn de jezuïeten die elders leven, maar wel aan het huis verbonden zijn. Minstens twee keer per jaar nodigde hij ze uit, ze hoorden er immers niet alleen op papier bij.

Guus Hendrichs trad al op zeventienjarige leeftijd in bij de jezuïeten, opvallend jong dus. Hij was een vroege leerling op het Aloysius College, een jezuïetencollege in Den Haag, en volgde daarvandaan een voor hem volkomen logische weg: een noviciaat, gevolgd door een studie filosofie bij de Franstalige jezuïeten in België, waarna hij in 1962 naar Nijmegen ging om klassieke talen te studeren. In die stad belandde hij op het Canisius College. Vanuit Gelderland studeerde hij theologie in Amsterdam, want daar wonen zag hij helemaal niet zitten. Hij kwam er alleen voor examens en tentamens. Hij vond dat de professoren klassieke talen te veel aandacht besteedden aan de taal en te weinig aan de culturen die daarachter scholen.

Bovendien hechtte Guus Hendrichs aan de taken die hij op het Canisius College kreeg toebedeeld. Jezuïeten houden vanouds graag een sterke greep op de situatie, dus ook het internaat dat er toen nog was had tal van eigen buitenschoolse activiteiten. Guus Hendrichs, die als jongen een goede voetballer was geweest, verloor al gauw zijn hart aan de eigen voetbalelftallen die het Canisius College had, onder de vlag van de Nijmeegse voetbalvereniging Union. De ’internen’ hadden hun eigen veld, tegen de school aan. De ’externen’ voetbalden elders.

Guus Hendrichs zag het voetballen evenals het onderwijs in het licht van ’de totale mens’ die hij voorstond. „We moeten de mens niet alleen als economisch object zien, bij wie je er zoveel instopt omdat er dan ook zoveel uitkomt”, zei hij. „De totale mens is ook kunstzinnig, vindt op sportief gebied zijn weg, heeft zijn vrije tijd goed leren besteden en heeft belangstelling voor levensbeschouwelijke zaken. Hij mag bij wijze van spreken op een zeker moment ook verliefd zijn of zijn aandacht richten op een ander die dat even nodig heeft. En dat hij dan economisch gezien even minder presteert.”

En zo floot Guus Hendrichs wedstrijden, organiseerde hij de competitie, trainde elftallen die even zonder trainer zaten op zijn eigen spartaanse wijze, nam zitting in het bestuur van Union – en was daar twintig jaar jeugdvoorzitter – en vulde op een bijna onopvallende manier alle hiaten in de organisatie. Hij noemde zichzelf spottend ’materiaalman en terreinknecht’, maar spelers uit de seniorenelftallen van Union herinneren zich de matige organisatie van de voetbalclub vóór pater Hendrichs – later ’Guus’ – zich er voorstelde, en er ’afspraken’ maakte die als keiharde regels dienden te worden uitgelegd.

Ze kunnen hem uittekenen als de man die ’s zaterdagsochtend om zeven uur aanwezig was, om pas om zeven uur ’s avonds weer weg te gaan. Tijd voor een praatje had hij dan zelden, hooguit aan het einde van de dag, bij een biertje. Zijn grote liefde waren de jeugdteams, waarvan hij alle ontwikkelingen op de voet volgde. Nijmegenaren noemden hem liefkozend de ’voetbalpater’, maar dat zou hij zelf natuurlijk nooit hebben gezegd. Vaak reikte hij zelf de prijzen uit, waarbij hij zich één keer toch van zijn gevoelige kant liet zien. Dat was toen de clubleiding de uitslag van twee exact gelijk geëindigde elftallen in een toernooi beslechtte door een muntje op te gooien. „Dat doen we nooit, maar dan ook nooit meer op deze manier”, zei Guus Hendrichs na de uitreiking. „Ik kan de teleurstelling op de gezichten van die kinderen die op zo’n manier verliezen niet aanzien.”

Het internaat van het Canisius College was in 1968 opgeheven, iets wat Guus Hendrichs broodnuchter had geaccepteerd: „Wat geen toekomst heeft, gaan we niet in stand houden.” Op de school was hij het soort docent en conrector dat leerlingen achteraf wel ’streng maar rechtvaardig’ noemen. Wie te laat was of de klas was uitgestuurd, kreeg gigantisch op zijn falie. Een troefkaart die hij daarbij uitspeelde, was zijn gedetailleerde kennis van ieders achtergrond, wat des te opmerkelijker was gezien zijn zwijgzaamheid over zijn eigen leven. Maar de gestrafte hoefde zich nooit af te vragen of Guus Hendrichs misschien iets anders bedoelde dan hij had gezegd, en hij bleef niet lang boos.

In de afgelopen jaren bleef Guus Hendrichs op de velden van Union het vertrouwde gezicht, de man die het verloop van de zaterdagse voetbaldag de avond van tevoren telefonisch al in detail had georganiseerd. Op zondagmiddag pakte hij ook nog wel eens zijn brommer om – alle stoplichten en verkeersregels aan zijn laars lappend – even naar de voetbalvelden op De Kluis te scheuren, want: „Wat moet ik anders doen?” Thuis puzzelde hij wel eens wat, hij deed het liever dan lezen. „Ik kan me niet concentreren”, zei hij dan.

Zijn medebroeders wisten dat hij een zwak hart had, dat zat in zijn familie en hij was er tien jaar geleden aan geopereerd. Hij maakte de gang tussen de huiskamer en zijn eigen kamer op tweehoog daarom zo min mogelijk. Toen hij onlangs zei dat hij ’moe’ was, hadden de anderen direct door dat er echt iets aan de hand was. Het bericht van zijn overlijden kwam op zijn voormalige school en op de velden van Union als een schok. Een zaterdag zonder de laatste pater van het Canisius College, ze kunnen het zich nog maar nauwelijks voorstellen.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />