*

 

Mijn broertje

Ibrahim Selman − 20/12/08, 00:00

Onlangs werd de uitwisseling tussen Irak en Iran van gesneuvelde soldaten met een laatste ruil afgesloten. Ook dit keer was Ibrahim Selmans broertje, vermist sinds 1982, er niet bij. „Ik wil tegen mijn moeder zeggen dat ik alles gedaan heb, dat ik zelfs via het tv-programma ’Vermist’ geprobeerd heb hem op te sporen, maar dat al mijn pogingen zijn mislukt.”

  •   Iraanse militairen met de lijkkisten van Iraakse gesneuvelden. ( FOTO REUTERS)
    Iraanse militairen met de lijkkisten van Iraakse gesneuvelden. ( FOTO REUTERS)

De wind slaat tegen het slaapkamerraam en sluipt naar binnen via een kier. Natte sneeuw glijdt over het glas naar beneden. Ik lig te woelen in mijn bed. De foto die onlangs op de voorpagina werd afgedrukt dringt zich telkens weer aan mij op. Er was een lange stoet doodskisten te zien, gewikkeld in Iraakse vlaggen.

„Zouden de resten van mijn broertje in een van die kisten liggen?” Ik wil deze vraag niet stellen maar er zit een draaiende molen in mijn hoofd die ik niet kan stoppen.

Mijn broertje wordt officieel sinds juli 1982 vermist. In dat jaar sneuvelden twee van mijn neven aan het oorlogsfront tussen Irak en Iran. Mijn neef Yasin, de zoon van mijn oom, was vijf jaar ouder dan ik. Een deel van zijn lichaam werd naar zijn familie gebracht. Hij was herkenbaar, in ieder geval te identificeren omdat zijn hoofd erbij zat. Mijn neef Yousif, de zoon van mijn tante, was een jaar jonger dan ik. In de kist die zijn moeder in ontvangst nam lagen resten van verschillende lichaamsdelen, zonder hoofd. De lichaamsdelen bleken van verschillende personen te zijn. Het enige wat aan Yousif toebehoorde was zijn naamplaatje. Yousif was dus niet te identificeren.

Mijn tante, die nu door een hersensbloeding aan totale afasie lijdt, was er tot aan die beroerte van overtuigd dat Yousif zou terugkeren. Ze dacht dat haar zoon was gevlucht en dat hij zijn naamplaatje bij een ander lijk had achtergelaten. Ze kon niet geloven dat Yousif dood was omdat ze niet van hem had gedroomd. Haar hoop veranderde langzaam in wanhoop.

Ismail, mijn enige volbloed broertje dat drieëntwintig jaar oud was toen hij vermist raakte, is nergens te vinden. Zelfs niet in een kist met de resten van anderen. Ook zijn naamplaatje is weg. Het lijkt alsof hij verdampt is.

Dat hij dood is kan ik niet bewijzen maar ik heb ook geen enkele reden om te geloven dat hij nog leeft. Hij was opvliegend van aard en kon nergens blijven zitten, staan of hangen. Hij kende ook helemaal geen angst. De kans bestaat dat hij aan het front geen geduld kon opbrengen, dat hij misschien door zijn eigen maten is omgebracht, of dat hij samen met hen tijdens een Iraanse aanval in een loopgraaf bedolven is geraakt en dat die loopgraaf zijn echte graf is geworden.

In de doodskisten op de foto bevinden zich de allerlaatste lijken die gevonden zijn. Dat beweert althans zowel de Iraakse als de Iraanse regering. De uitwisseling van de soldaten die tussen 1980 en 1988 gesneuveld zijn is nu compleet, afgesloten.

Waar blijft mijn broertje dan? Ik heb ook niet van hem gedroomd, een droom die op zijn dood zou kunnen wijzen. Mijn moeder, die zeventien jaar na zijn verdwijning stierf, droomde in al die jaren geen enkele keer van iets dat zijn dood kon suggereren.

Niemand van de bloedverwanten droomde slecht van hem. Mijn vrouw wel. Ze droomde in 1982 van mijn moeder. Ze zag dat mijn moeder in een zwarte jurk gehuld was en een dikke zwarte bril droeg. Ze vertelde me haar droom een paar dagen vóór we wisten dat mijn broertje vermist werd. Over Ismail zelf had ze niet gedroomd, maar die droom zou verwijzen naar de rouw die de familie zou treffen.

Ik probeer me te ontspannen om in slaap te kunnen vallen. Dat wil niet echt lukken. Ik overweeg mijn vrouw wakker te schudden en haar te vragen of zij werkelijk nooit van Ismail gedroomd heeft. Mijn vrouw leek een helderziende, althans, ze droomt van dingen die iets voorspellen, die werkelijk gebeuren.

Toch maak ik haar niet wakker. Haar zacht en ritmisch gesnurk begint me te irriteren.

De krantefoto van de doodskisten komt tot leven. Opeens sta ik aan de kant bij de stoet met kisten en zie ik de ceremonie van dichtbij. Het zachte gehuil van de vrouwen vermengt zich met de muziek, die zich op haar beurt mengt met de stemmen die uit de Koran reciteren.

Bij een muur zie ik een kleine gestalte staan huilen. Ik steek de straat over en hoor de verontwaardigde kreten van het publiek. Ik hoor zelfs dat ik doodgeschoten zal worden als ik niet stop. En ik stop niet. Ik loop naar de gestalte, een dwerg met het gelaat van mijn moeder. Haar gezicht fleurt op als me ziet.

„Ismail, ik wist dat je nog leefde, maar niemand gelooft me.”

„Moeder, ik ben Ismail niet.”

Mijn moeder gaapt me aan en de glans verdwijnt uit haar ogen.

„Ben je niet blij mij te zien?”

„Waarom heb je je broertje niet gevonden? Je bent toch machtig, je woont in Europa.”

„Ma, ik woon in Europa maar ik ben zeker niet machtig.”

„Wat heb je gedaan om je broertje te vinden?”

Ik wil zeggen dat ik alles gedaan heb, dat ik via de ambassade, het Rode Kruis en zelfs via het tv-programma ’Vermist’ geprobeerd heb hem op te sporen, maar dat al mijn pogingen in al die jaren zijn mislukt.

Mijn moeder leest blijkbaar mijn gedachten.

„Jouw vader ging het hele land door, bezocht dorp na dorp met een pasfoto van zijn vermiste zoon.”

„Nee ma, dat kan ik niet, dat doe ik niet. Dat is verspilde energie.”

Mijn moeder verdwijnt. Ik besef dat ik in de krantefoto gevangen zit. Ik wil bevrijd worden maar ik zit klem. Ik hap naar adem, mijn vrouw schudt me wakker. „Je stikte bijna. Heb je slecht gedroomd?”

De avond daarvoor zag ik een documentaire over de Tweede Wereldoorlog. Geert Mak vertelde hoe de leiders van Amerika, de Sovjet-Unie en Groot-Brittannië de volkeren in Polen en Tsjecho-Slowakije in de steek lieten. Hoe ze maandenlang toekeken terwijl opstandelingen om hulp smeekten en door Duitse troepen werden afgeslacht. Onbegrijpelijk. Althans het moet onbegrijpelijk zijn. Want al die grote leiders zijn bijna heilig verklaard terwijl ze duizenden doden op hun geweten hebben. Politiek bedrijven gaat soms over lijken.

Volkeren in de steek laten is van alle tijden. Het eigenbelang is vaak groter dan het belang van mensenlevens in een land ver weg.

In het politieke spel van de grote machthebbers rond 1980, dat aan honderdduizenden Irakezen en Iraniërs het leven kostte, was Saddam Hoessein uiteindelijk de grote schlemiel. Hij zag zichzelf als leider van de Arabische natie, maar eindigde aan de galg. Hij bracht niet alleen de Iraakse volkeren naar de afgrond, maar bijna de hele wereld, en dat in de loop van een kwarteeuw. Een kwarteeuw vol bedrog en moord.

Het hoogtepunt van het bedriegen en moorden kwam in de lente van 1991. George Bush senior riep, nadat hij Koeweit van Saddam had bevrijd, de Irakezen op om in opstand te komen tegen hun dictator. Toen het volk in opstand kwam en Saddam dreigde te bezwijken, schoot Bush het niet te hulp. De media maakten de beelden van de slachtingen wereldkundig maar Bush was daarin niet geïnteresseerd. Hij genoot van zijn vakantie.

De zoon van de oude Bush probeerde de fout van zijn vader te herstellen door Irak van zijn dictator te bevrijden en in het land te investeren zoals Amerika na de Tweede Wereldoorlog in Duitsland deed. Maar het is de vraag of de Iraakse leiders in staat zijn om een moderne staat te stichten zoals dat in West-Duitsland is gebeurd.

Allereerst hebben de nieuwe leiders, met behulp van de Verenigde Staten, geen stabiel land kunnen stichten. Amerika houdt vast aan de eenheid van het land, een eenheid die sinds zijn ontstaan alleen met geweld wordt gehandhaafd. Dit is de eerste en grootste fout.

De tweede fatale fout was het ontmantelen van het bestaande leger en politiekorps, terwijl die over een groot wapenarsenaal beschikten.

De derde fout was dat Amerika er blind vanuit ging dat Irakezen democratisch konden denken en handelen. Maar een volk dat nooit democratie heeft gekend, krijgt dat niet van de ene op de andere dag onder de knie.

Sinds 2003 regeren de Amerikanen (indirect) in Irak. Onlangs is een akkoord met de Irakezen bereikt om het land eind 2011 te verlaten.

Amerika heeft in 1945 een groot deel van Europa bevrijd, maar heeft nog steeds militaire bases in Duitsland. Het Amerikaanse beleid is duidelijk. De Verenigde Staten willen overal een sterke regering hebben die hun politieke en economische belangen verdedigt.

Dat hun beleid in het Duitsland van na de Tweede Wereldoorlog goed uitpakte was vooral aan de Duitsers zelf te danken. Zij rekenden eigenhandig af met de cultuur van hun Führer, met de smet op hun verleden.

De hiërarchische partijcultuur waardoor Saddam Irak met ijzeren hand kon regeren, is niet zomaar af te schaffen. Daarnaast zijn de etnische, religieuze, geografische en economische verschillen in Irak zo groot dat het onmogelijk is het land zonder geweld bij elkaar te houden.

Maar waarom die krampachtigheid over de eenheid van Irak? De Koerden willen in feite al heel lang een eigen staat, maar ze durven het niet te zeggen. Sjiieten durfden dat ook niet, maar nu zeggen ze dat wel.

Alleen de soennitische aanhangers van Saddam willen één Irak omdat ze, als minderheid, altijd de macht over heel Irak hebben gehad en hopen die weer te veroveren.

Ook de buurlanden bemoeien zich flink met Irak. Iran, Turkije, Syrië en Saoedi-Arabië willen een zwakke regering in Bagdad om hun belangen door te drukken. Geen van die landen (behalve Iran misschien) is gebaat bij het uit elkaar vallen van Irak. Maar de kloof tussen sjiieten en soennieten is niet meer te overbruggen. De verhouding tussen Koerden en sjiieten, die tot nu toe door één deur konden, verslechtert ook met de dag.

Het land is hard op weg om uit elkaar te vallen, en misschien is dat ook de beste oplossing. Dan kunnen de volkeren zich op de wederopbouw van hun eigen land richten.

Of Irak nu heel blijft of uiteenvalt: de Amerikanen zullen zorgen dat ze een vinger in de pap houden. Het ziet ernaar uit dat alleen de Koerden Amerikanen op hun grondgebied willen toelaten. Dat hebben zowel Obama als Clinton tijdens hun strijd om de Democratische nominatie gezegd. Toch kunnen Turkije, Iran, Syrië en andere landen roet in het eten gooien.

In alle gevallen zal ik er niet achterkomen waar mijn broertje is, hoe het hem verging en of hij nog heel is of in stukjes ligt. Het rouwproces raakt verjaard. Maar afgesloten wordt het nooit.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />