*

 

Het darwinisme verklaart alles vanaf hoofdstuk twee

Bert Keizer − 06/12/08, 00:00

opinie In Trouw van 29 november maakte Pieter Drenth zich zorgen over opkomend anti-darwinisme. Hij vermeldt een voorval waarbij moslim-geneeskundestudenten botsten met hun docent biologie. Zij hadden als antwoord op enkele tentamenvragen over evolutie ’allerlei anti-darwinistische apekool van het internet gekopieerd’.

Persoonlijk vind ik het lastigste ondergravertje van Darwins visie de verzuchting van een wanhopige bioloog: ’Gun ons één Wonder, en dan leggen we de rest moeiteloos uit.’ Want tot nog toe verklaart het darwinisme de geschiedenis van het leven op aarde door in het tweede hoofdstuk te beginnen, namelijk toen er eenmaal leven was. In het eerste hoofdstuk vond dan dat Wonder plaats, het ontstaan van het leven.

Hier mogen twee kanttekeningen bij. Allereerst doet niet één bioloog alsof dat eerste hoofdstuk geen probleem is. Daarnaast is er enige theorievorming gaande rond de mogelijkheid van het spontane ontstaan van zichzelf reproducerende macromoleculen. Maar we zijn er gewoon niet uit.

Mij lijkt dit een heldere en draaglijke positie. Zeker als ik het alternatief moet trachten serieus te nemen dat uitgaat van een niet spontaan ontstaan van leven op aarde. Ik stond op het punt te zeggen: ik kan me geen scheppende God voorstellen, maar dat is niet waar. Kijk maar naar de Sixtijnse kapel, waar Michelangelo de schepping van Adam door God heeft geschilderd.

G. wijst met zijn vinger en poefff! daar is Adam, twee timeframes in één beeld. Mooi werk zou ik zeggen. Wat ik mij niet kan voorstellen is dat het echt zo gegaan is. Als u nu zegt: ’dat vind ik geen enkel probleem’, dan nemen we hier beleefd doch beslist afscheid van elkaar.

Terug naar Drenth. Hij denkt dat hij een oplossing heeft die zowel gelovigen als biologen gelukkig maakt. Anti-darwinisten verwarren het taalspel van de feitelijkheid met het taalspel van het geloof. Drenth dankt Vincent Brümmer voor dit onderscheid, dat echter niet uit Brümmer maar uit Wittgenstein komt.

Taal is gereedschap waarmee we werk verrichten: roepen, ontkennen, groeten, vragen, bevelen, beschrijven, bidden, verzinnen, smeken, allemaal talige activiteiten die elk hun eigen sfeer hebben. Zo’n activiteit is als een spel waarbinnen bepaalde regels gelden, die je niet probleemloos mee kunt nemen naar een ander spel. Veel taalspelen lopen in elkaar over en de verwarring die dat oplevert is dikwijls beheksend voor ons begrip. Denk aan wat men zoal kan zeggen over feitelijk bestaande mensen en wat je kunt zeggen over verzonnen personages. ’Ik heb Hamlet vijftig euro geleend’ is onzin als het over Shakespeares prins gaat. Maar ’ik vind Hamlet helemaal niet zo’n twijfelaar’ kan weer wel. De beheksing ontstaat als we deze mogelijkheden door elkaar gaan halen.

Godsdienstgeschiedenis toont ons dat mensen God vroeger benaderden alsof hij een adres had, fysiek benaderbaar was, vatbaar voor euro’s bij wijze van spreken. Daar is de klad in gekomen en God is nu alle adressen ontstegen (opwaartse metaforen doen het hier altijd beter) (zeg dus niet dat hij uit alle adressen is weggezakt).

Vroeger woonde hij zo echt boven ons dat een piloot wiens stuurknuppel blokkeerde uiteindelijk bij de hemelpoort zou uitkomen. Pascal was de eerste die hardop zei: ik zie niks geen poort daar boven.

Vanwege de kosmische leegte hielden mensen er mee op God zo duidelijk een locatie te geven. In West-Europa althans. De oude spreekwijzen bleven echter. Zo zegt men nog altijd ’Onze vader die in de hemel zijt’ maar gelovigen vinden het te flauw voor woorden om te vragen: ’waar is die hemel dan?’ De hemel die vroeger pal boven ons was die bevindt zich nu in het domein waar Hamlet prins is.

Theologen vinden het wel goed dat gelovigen praten over God alsof hij ergens is, als gelovigen zich maar realiseren dat dat niet feitelijk het geval is. Wij spreken dus over God als liefhebbend, zich tot ons richtend, de schepping dragend, de dood overwinnend enzovoort, en voegen daar heimelijk aan toe: ’maar niet in het écht natuurlijk!’

Drenth denkt dat hij de anti-darwinisten slechts hoeft uit te leggen dat zij het taalspel van fictie verwarren met het taalspel van feiten en dat ze dan opgelucht zullen ademhalen. Anti-darwinisten, zou hij kunnen zeggen, denken dat ze het hebben over dingen die bestaan als tafels maar als ze goed opletten zullen ze inzien dat ze het over fictieve dingen hebben, die er zijn zoals Sneeuwwitje er is. God heeft de wereld niet geschapen, Sneeuwwitje beet nooit in de appel, maar je kunt het daar wel over hebben en dan lijkt het net alsof die dingen echt gebeurd zijn.

Wat zegt de anti-darwinist nu? Die zegt: barst met je Sneeuwwitje. God heeft de wereld wel geschapen! Want de anti-darwinist vindt dat Drenth niet begrijpt dat het scheppingsverhaal een feitelijk relaas is en allerlei slimme praatjes over taalspelen kunnen hem gestolen worden. Filosofie helpt ook hier niet.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />