Het Franse windmolenpark breidt in fors tempo uit. Niet iedereen is er blij mee. Zo ontpopt oud-president Valéry Giscard d’Estaing zich als een moderne Don Quichot.
Zoef, zoef, zoef. Met statige slagen slaan de wieken door de mist. „Indrukwekkend, niet?”, zegt Patrick Thevret, een zondagsjager uit het verderop gelegen dorpje Léthuin aan de voet van de reusachtige windmolen. „Het levert nog energie op ook, schone bovendien.”
In totaal zijn het 26 molens. Om de 650 meter staat er een. Tezamen leveren ze energie voor 70.000 mensen. Daarmee is het windmolenpark Chemin d’Ablis, langs de A10 tussen Parijs en Orléans, meteen het krachtigste van het land.
Vorige week donderdag werd het in gebruik genomen en dat komt mooi uit. Juist deze week probeert Frankrijk als voorzitter van de Europese Unie immers op de internationale klimaatconferentie in de Poolse stad Poznan het Kyoto-protocol nieuw leven in te blazen. En dan moet het natuurlijk wel het goede voorbeeld geven.
De Franse milieuminister Jean-Louis Borloo kwam eerder dit jaar al met een reeks initiatieven waarmee Frankrijk in 2020 – net als de andere EU-landen – minimaal 20 procent duurzame energie moet produceren. Het gaat daarbij om zonnepanelen, waterkrachtcentrales, geothermische installaties en windmolens. Tweeduizend staan er inmiddels in Frankrijk en daarmee bezit het land, na Duitsland en Spanje, het grootste windmolenpark van Europa.
Maar intussen groeit het verzet. Zo vond de windmolenlobby een geduchte tegenstander in de figuur van de 82-jarige Valéry Giscard d’Estaing. Als een moderne Don Quichot heeft de Franse oud-president (1974-1981) de strijd aangebonden met de windmolens, die hij ’landschapsvervuilend’ noemt.
In de ogen van Giscard d’Estaing en de zijnen is het Franse landschap even monumentaal als de Mont Saint-Michel of de kathedraal van Chartres. Windmolens zouden daar een ontoelaatbare inbreuk op betekenen.
„De toekomst is aan de zon. Als we op dat gebied serieuze vooruitgang boeken, zullen we de windmolens in één windvlaag van de kaart vegen”, zo provoceerde Giscard d’Estaing vorige maand nog op een ’windmolendebat’ dat werd georganiseerd door het Institut Montaigne.
Deze invloedrijke denktank voorzag de Franse windmolenhaters deze zomer van krachtige munitie met een geruchtmakend rapport.
Windmolens, zo stelde het rapport, levert weliswaar schone, maar vooral dure energie. Aanleg zou dermate kostbaar zijn dat de Franse staat 1,5 miljard euro per jaar zou moeten bijspringen, oftewel 100 euro per gezin.
De windmolenfabrikanten lieten het er niet bij zitten en ontketenden een ware cijferstrijd. Zij stelden dat het Institut Montaigne de (relatief hoge) kosten van windmolenbouw in zee te zwaar heeft laten wegen. Daarnaast wijzen zij erop dat de kosten van fossiele brandstoffen alleen maar zullen stijgen, terwijl wind altijd gratis blijft.
Anderen menen dat de fanatiekste strijders tegen windmolens in wezen verkapte voorstanders zijn van kernenergie. Giscard d’Estaing was immers óók de man die als president het Franse kernenergieprogramma lanceerde, toen het land de gevolgen voelde van de internationale oliecrisis van 1973 (zie kader).
Nog steeds maakt hij er geen geheim van dat hij het onzin vindt om dure windmolens te bouwen terwijl Frankrijk volop ’schone’ kernenergie exporteert.
De regering wil van geen wijken weten. Zo liet minister Borloo van milieu weten dat het doel van achtduizend windmolens in 2020 onverkort gehandhaafd blijft.
„Des te beter”, meent Patrick Thevret, terwijl hij zijn jagerstas over zijn schouder trekt. Hij behoort tot de 63 procent van de Fransen die er geen problemen mee heeft als er een windmolen op een kilometer afstand van zijn of haar huis verrijst. Of windmolens te duur zijn, zegt Thevret niet te kunnen beoordelen, maar landschapsvervuilend?
„Welnee. Dat is juist die snelweg waarlangs ze staan.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.