*

 

Krant en omroep kunnen mooi samen op het web

Otto Scholten − 18/12/08, 00:00

Het pleidooi van hoofdredacteuren van kranten voor een gelijker speelveld is begrijpelijk. In de praktijk is dat moeilijk voor elkaar te krijgen.

De Kamerleden buigen zich vandaag over een oud en taai probleem, te weten hoe de verhouding tussen dagbladen, tijdschriften en audiovisuele media zo te regelen dat oneerlijke concurrentie vermeden wordt. Hoofdredacteuren en uitgevers van dag- en opinieweekbladen – de club van 44 – hebben in een brandbrief aan de minister gewezen op concurrentievervalsing.

Zij pleiten vervolgens niet voor directe steun aan dag- en opinieweekbladen noch voor het stopzetten van de subsidie aan de publieke omroep. Zij bepleiten wel een eerlijker, minder ongelijk speelveld voor alle spelers op de markt. In hun visie is op vier punten sprake van oneerlijke concurrentie van de publieke omroep. Sterreclame drukt het aantal en de prijs van advertenties in gedrukte media. Programmagegevens zijn voor gedrukte media en rtv-gidsen niet in gelijke mate beschikbaar. Met belastinggeld maken omroepen glossy’s. En de internetsites van de publieke omroep trekken bezoekers en adverteerders weg bij de sites van gedrukte media.

Wat de Sterreclame betreft, is de onuitgesproken gedachte dat afschaffing in ieder geval voor een deel ten goede zou komen aan de gedrukte media. Dat is echter zeer de vraag. Adverteerders hebben al geruime tijd te maken met een zeer versplinterd publiek. Naast tien nationale tv-zenders, kent Nederland 18 regionale en 123 lokale tv-zenders, tientallen nationale, regionale en lokale radiozenders, acht landelijke en regionale dagbladen en talloze tijdschriften. Om van internetsites, nieuwsbladen en gratis kranten maar te zwijgen. De kans is kortom groot dat bij afschaffen van de Ster niet de dag- en opinieweekbladen maar de commerciƫle radio- en tv-stations de grote winnaar zijn. Daarmee is de club van 44 niet geholpen, de publieke omroep verzwakt en het publieke belang geschaad.

Beperking van nevenactiviteiten van omroepen zoals het uitgeven van tijdschriften zal hooguit een kleine druppel op een gloeiende plaat zijn. Wat de programmagegevens van de publieke omroep betreft moge de club van 44 het morele gelijk aan zijn zijde hebben, maar hierover woedt al ongeveer veertig jaar een juridische strijd en is het einde van dit gevecht nog niet in zicht.

Blijft over het punt van de internetsites van gedrukte media en van de publieke omroep. De minister trekt nu wat meer geld uit voor een innovatiefonds ten behoeve van de gedrukte media, maar een gelijk speelveld wordt daarmee niet gecreƫerd. Het lijkt mij zinvoller en toekomstgerichter om een fonds voor journalistieke producties op internet in het leven te roepen en dat zo in te richten dat samenwerking tussen gedrukte en audiovisuele media op internet gestimuleerd wordt. De ene sector is goed in het geschreven woord, de ander in beeld en geluid. Beide zijn op internet onmisbaar. Misschien dat langs die weg de club van 44 en de publieke omroep elkaar op den duur versterken in plaats van bestrijden. Dit alles in het belang van een breed toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige informatievoorziening over zaken die er toe doen.

Het publieke bestel zoals we dat nu kennen is naar mijn stellige overtuiging op termijn niet houdbaar. In 1969 was de gedachte van een ’open bestel’ – wie een bepaald aantal leden wist te werven kreeg recht op zendtijd – een goed middel om het probleem van de geslotenheid van het bestel en de daarmee samenhangende afnemende legitimiteit op te lossen. Bijna veertig jaar later lopen we tegen de grenzen van het systeem aan. In de praktijk is gebleken dat het bestel aan de voordeur open is (TROS, EO, Veronica, Max, LLink traden toe) en dat de achterdeur hooguit op een kier staat (alleen Veronica heeft het bestel verlaten).

Het resultaat is een bestel waarin ruim twintig organisaties recht op zendtijd hebben en ’Hilversum’ continu onderhandelt over wie wanneer wat mag uitzenden op welke zender. De Wetenschappelijk Raad voor Regeringsbeleid kwam begin 2005 met het advies het mediabeleid niet te organiseren langs de lijn van de informatiedrager (krant, radio, televisie) maar in termen van functies die media geacht worden te vervullen.

Een fonds voor journalistieke producties op internet past goed in zo’n functionele benadering. Een mooie vingeroefening voor een toekomstgericht en toekomstbestendig mediabeleid.

mailIcon print |