Vertrekkend burgemeester Ivo Opstelten trekt met een gerust hart de deur dicht van zijn werkkamer aan de Coolsingel. ’Rotterdam voert niet langer alle foute lijstjes aan’.
Nu zijn afscheid nadert, kijkt Ivo Opstelten voor het eerst terug op tien jaar burgemeesterschap in Rotterdam in plaats van vooruit, wat hij gewoonlijk doet. „Dan komt het toch weer naar boven”, zegt hij en stokt. Voor het eerst in een bijna anderhalf uur vloeiend betoog verkrampt zijn houding achter de werktafel. „Dat is toch een kras op mijn ziel: de moord op Fortuyn. Dat zo’n politieke moord zomaar kan plaatsvinden in een vrije, democratische samenleving. En wat we aan hem gemist hebben. Als voorzitter van de gemeenteraad keek ik uit naar de raadsdebatten met hem, hij was natuurlijk welbespraakt en een scherp debater. Ik houd wel van dat soort spanning. Het stimuleert mij ook om mijn beste beentje voor te zetten.”
De moord op Pim Fortuyn op 6 mei 2002 kwam nergens zo hard aan als in Rotterdam, de bakermat van diens politieke beweging. Hier schokte hij het establishment door twee maanden ervoor in één klap met nieuwkomer Leefbaar Rotterdam de grootste fractie te worden en de sinds de oorlog oppermachtige PvdA naar de oppositiebankjes te verbannen. Bij de Tweede Kamerverkiezingen koerste Fortuyn aan op herhaling van het huzarenstukje, totdat hij werd doodgeschoten. Aan Opstelten de taak om de oplaaiende emoties onder de Rotterdamse bevolking in goede banen te leiden.
„Ik heb geen moment van paniek gekend”, blikt hij terug. „Op basis van intuïtie en goed teamwork hebben we ook met een beetje geluk de goede besluiten kunnen nemen.” Zoals het ogenblikkelijk openstellen van het stadhuis voor verdrietige, verwarde en boze Rotterdammers. Terwijl in Den Haag de Mobiele Eenheid het Binnenhof moet afgrendelen tegen de volkswoede, tekenen Rotterdammers tot diep in de nacht in de stadhuishal het condoleanceregister. Toen de druk voor een stille tocht te groot werd – Opstelten zag de tocht uit veiligheidsoogpunt liever enkele dagen later – stelde het echtpaar Opstelten zich aan het hoofd. De tocht verliep zonder wanklank, ondanks het meelopen van honderden Feyenoord-hooligans. Maar toen diezelfde Feyenoordaanhang twee avonden na de moord het stadhuis wilden bestormen na de gewonnen Uefa-cupfinale in de Kuip, wist Opstelten van geen wijken. Het ’tuig van de richel’ wordt na urenlange nachtelijke gevechten door de ME uiteen gedreven. „Het is een barre week geweest”, is het enige dat Opstelten er nu nog over kwijt wil.
Op de avond van de moord troostte hij raadsleden van Leefbaar Rotterdam en bad staande met hen in de fractiekamer. Daarmee overschreed hij niet de scheiding van kerk en staat, vindt Opstelten. „Ik ben vrijzinnig remonstrants opgevoed en nog steeds belijdend. Op dat moment stond daar de mens en de burger Ivo Opstelten, niet de burgemeester.” Na de moord op filmmaker Theo van Gogh en de vijandelijkheden over en weer ook in Rotterdam bezocht Opstelten alle moskees om moslims op het hart te drukken deel te blijven nemen aan het maatschappelijk debat. Tegelijk paste hij dit jaar meermalen voor verzoeken uit islamitische kring om te bemiddelen in het hoogoplopende interne conflict rond de Marokkaanse megamoskee in aanbouw. „Voor die geloofsgemeenschap is het het beste dat zij het zelf oplossen. Dat heb ik ook tegen hen gezegd. ”
Opstelten sloeg ook weleens de plank mis. Direct na de moord op Van Gogh schilderde de diepgeraakte Rotterdamse kunstenaar Chris Ripken een engel op zijn gevel met daaronder het bijbelse gebod: ’Gij zult niet doden’. Op last van Opstelten, bevreesd dat het kunstwerk olie op het vuur zou gooien, werd de schildering nog dezelfde middag verwijderd en de protesterende Ripken opgepakt. Later maakte Opstelten zijn excuses. „Dat had niet gemogen. De vrijheid van meningsuiting is cruciaal.”
Volgens sommige stemmen heeft Fortuyn een doos van Pandora geopend, waardoor het politiek-maatschappelijk debat nog steeds verziekt wordt door vreemdelingenhaat. Ten onrechte, vindt de Rotterdamse burgemeester: „Zijn verkiezingsoverwinning heeft als een zweepslag gewerkt”. Hij somt vier blijvende Fortuynistische thema’s op: het openbaar bestuur moet beter presteren, het moet zich laten afrekenen op z’n daden, het dient de veiligheid op straat te waarborgen, en de stagnerende integratie van nieuwkomers vlot te trekken. Totdat Fortuyn het aan de orde stelde, zegt Opstelten over het laatste, „werd er vanuit een beetje idealistisch beeld weggekeken van de heersende spanningen tussen autochtonen en nieuwkomers. Rotterdam telt 174 nationaliteiten” – er volgt een bulderende lach – „Ik heb ze vanmorgen nog geteld. Dat er dan spanningen optreden, is logisch.”
Als uitvloeisel van Fortuyns ideeën werden drie jaar geleden in de havenstad twaalf stadsdebatten gehouden tussen moslims en autochtonen. Volgens de nestor van de gemeenteraad, Manuel Kneepkens van de lokale Stadspartij, werkten de islamdebatten polariserend en streden ze met de scheiding van kerk en staat. Opstelten noemt het nog altijd een geslaagd experiment. „Ik heb die debatten gestimuleerd en gesteund. Als er een nieuwe godsdienst in je stad komt, een grote godsdienst – in deze stad wonen tachtigduizend moslims met 30 moskees – dan is het goed om het daar eens over te hebben. Je ontmoet elkaar, je kunt dingen met elkaar bespreken. Als je niks doet, blijft die polarisatie er ook.”
Hij wijst op de praktijk op het Binnenhof. Doordat de gevestigde partijen nog steeds met een grote boog om het thema heenlopen, krijgt de PVV van Geert Wilders, ’toch eigenlijk een one issuepartij’, geen tegenspel in z’n eenzijdige geluid over de islam. „Het is beter om die moslimangst serieus te nemen en bespreekbaar te maken.” Na de voordracht van de belijdende moslim Ahmed Aboutaleb als zijn opvolger klonken die geluiden ook weer in Rotterdam, zelfs vanuit Leefbaar Rotterdam. Hoe kwetsend ook, laat het maar hardop gezegd worden, vindt Opstelten. „Iemand van het formaat en statuur van Aboutaleb wordt daar alleen maar sterker van.”
Na 1 januari heeft hij de handen vrij als partijvoorzitter om het liberale geluid meer te laten horen in het islamdebat. Veel PVV- en Rita Verdonk-stemmers horen bij de VVD thuis, vindt hij. „Ik denk dat de VVD goed de rechterkant moet ’afdekken’.” Het gaat erom zulke kiezers duidelijk te maken hoe belangrijk traditionele politieke partijen als de PvdA, VVD en CDA zijn voor de continuïteit van het landsbestuur, zegt hij. „Het zijn partijen die altijd hun politieke verantwoordelijkheid hebben genomen.” Volgens de jongste Rotterdamse bestuurlijke tradities heeft hij zichzelf al een target’ gesteld: Bij de volgende Kamerverkiezingen moet de VVD 35 zetels halen, anders stapt hij op.
Als voorzitter van een liberale studiecommissie nam hij de VVD al eens op sleeptouw bij het herzien van het standpunt over de gekozen burgemeester. Terwijl de ’beroepsburgemeester’ – op zijn 28ste werd Opstelten burgemeester van de Drentse gemeente Dalen, waarna nog vier gemeenten volgden – bij zijn installatie als burgemeester van Utrecht in 1992 zichzelf nog typeerde als ’verklaard voorstander’ van de benoemde burgemeester. „Ik ben een exponent van de benoemde burgemeester. Maar ik ervoer daar: als je het boegbeeld van het bestuur bent, dan is de democratische legitimatie toch wel essentieel. Het is beter dat een bevolking op basis van een programma en een persoonlijkheid haar eigen burgemeester kiest.”
Hij bestrijdt dat de gekozen burgemeester leidt tot populistische burgemeesters. „Een bevolking herkent altijd kwaliteit. En de kiezer is niet gek. In België zijn kroegbazen burgemeester van Hasselt geworden en leider van hun partij. Je put ook ineens uit andere beroepsgroepen.”
Eindelijk krijgt Rotterdam iets uit Amsterdam terug, grapt hij over de benoeming van de voormalige Amsterdamse wethouder Aboutaleb in Rotterdam. „Ik houd wel van het spel”, zegt Opstelten over de eeuwige vete tussen de havenstad en de hoofdstad. „Dat moet gespeeld worden. Maar het blijft wel een spel.”
Van een alleingang van de noordelijke Randstad wil hij niks weten. De vier grote steden moeten samen optrekken en elkaar zaken gunnen, zegt hij. Amsterdam heeft de financiële wereld; Rotterdam z’n havenindustrieel complex maar is ook ’een internationale speler’, waar de erkenning nog wel eens voor ontbrak.
Hij ziet ook dat Den Haag en Rotterdam achterop dreigen te raken. „Ik heb er bovenop gezeten om Rotterdam op een koers te zetten die ons economisch sterker maakt, met de nadruk op medische technologie, maritieme industrie en creatieve sector. En de colleges van Den Haag en Rotterdam overleggen nu regelmatig: over de infrastructuur, de regionale economie, de A4 door Midden-Delfland, de bescherming van het Groene Hart. We gaan een metropolitane regio Rotterdam/Den Haag ontwikkelen, met Leiden en de Drechtsteden erbij.”
„Rotterdam is de gateway to Europe, de toegangspoort tot 450 miljoen consumenten. Wij liggen in het hart van wat er gaat gebeuren, met een multinational in wording: het verzelfstandigde Havenbedrijf Rotterdam. Daarom zijn we ook door Bill Clinton uitgenodigd om mee te doen met zijn klimaatinitiatief. Qua inwonertal is de Rijnmond een kleintje, 1,2 miljoen, maar de schaal van ons haven- en industrieel grootstedelijk complex is alleen vergelijkbaar met Houston, Shanghai en Singapore. ”
Hij is tevreden hoe hij de stad achterlaat. „Toen ik hier kwam, stond Rotterdam by far onderaan. Op een aantal punten, zoals bijvoorbeeld op het terrein van de veiligheid, is dat in ieder geval niet meer. Rotterdam voert niet langer alle foute lijstjes aan. Wij zijn in opkomst.”
Hij troont zijn bezoek naar het balkon van zijn werkkamer, met uitzicht op de Coolsingel. Elke ochtend loopt hij er even op, om een frisse neus te halen en ’om een high five te maken met de stad’. „Even contact leggen met de stad”, zegt hij en knipoogt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.