Bij alle ontwikkelingsstatistieken staat Afrika steevast onderaan. Toch is ook hier op onderwijsgebied vooruitgang te zien. Soms zelfs zoveel, dat het weer nieuwe problemen met zich meebrengt.
Neem Oeganda dat in 1997 het schoolgeld afschafte. De toeloop naar basisonderwijs verdrievoudigde in enkele jaren. Geweldig nieuws natuurlijk, zeker als ook meisjes massaal toestromen en kinderen uit de armste gezinnen en meest afgelegen dorpen eindelijk een klas van binnen te zien krijgen.
Toch lijdt deze toestroom in eerste instantie tot een slechtere kwaliteit onderwijs, door overvolle lokalen en een tekort aan leerkrachten en lesmateriaal.
Op verzoek van minister Koenders van ontwikkelingssamenwerking evalueerde de inspectiedienst IOB het basisonderwijs in Zambia en Oeganda. Het zijn allebei landen uit de voorkeurslijst van Nederlandse steun, en Nederland is er een belangrijke onderwijsdonor.
In beide landen gaat dankzij deze inhaalslag inmiddels 90 procent van de kinderen naar school, wat een bijzonder hoog percentage is voor Afrika. Minister Koenders denkt dat Zambia en Oeganda het Millenniumdoel 2 (alle meisjes en jongens minimaal 5 of 6 jaar naar school in 2015) wel zullen halen. Ter vergelijking: in Sahellanden als Niger en Burkina Faso ligt dat rond of onder de veertig procent.
Minpunten van gratis onderwijs zijn teruglopende betrokkenheid van ouders, daarmee minder controle op onderwijzend personeel en minder inkomsten voor de scholen. Nadat de onstuimige groei was gestabiliseerd, hebben overheid en donoren vooral geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering. Zoals: tegengaan van verzuim door leerkrachten (die in arme landen vaak onder schooltijd bijbeunen) en leerlingen, en afmaken van de basisschool. Hoeveel kinderen doorleren, is nog niet duidelijk.
De IBO-onderzoekers wijzen erop dat extra geld niet genoeg is. De politieke wil moet bestaan om tijdig leermiddelen te leveren en ook op het onpopulaire platteland leerkrachten aan te stellen. In beide landen wordt nu gemeten hoe vaak leraren aanwezig zijn in de klas en ligt de prioriteit bij aanstellen van leraren.
In Zambia begonnen de hervormingen na decennia van te lage investeringen in onderwijs. Net als in Oeganda worden klassen nu minder groot. Optimaal is de verhouding leraar-leerling nog niet, omdat vrij veel leerkrachten lijden aan aids. Nederland gaf in 2006 14 miljoen euro aan onderwijs in Oeganda, en in 2008 20,5 miljoen aan Zambia. Deze aanpak lijkt de stelling te ondersteunen dat het helpen van stabiele, redelijk goed functionerende landen waardevoller is dan doormodderen met muurbloempjes.
Een minpunt is volgens het IOB dat het Oeganda niet is gelukt management op scholen en districtsniveau te verbeteren, en dat het land het slecht doet op democratiseringsgebied. Reden voor minister Koenders over te gaan van algemene begrotingssteun naar specifiek op onderwijs gerichte hulp. In Zambia financierde Nederland in 2004 een afvloeiingsregeling voor 7000 gepensioneerde leerkrachten, zodat nieuwe leraren een plek konden krijgen. Door de vooruitgang kan Zambia’s nieuwe onderwijsplan zich voor de komende jaren richten op kwaliteitsverbetering, gelijke deelname van meisjes en doorstroming naar voortgezet onderwijs.
Er komt uit diverse Afrikaanse landen steeds meer betrouwbare informatie over onderwijs. Oeganda en Zambia testen regelmatig kinderen uit groep 5/6. Met deze Zuidelijk Afrikaanse Cito-toets kunnen landen ook onderling resultaten vergelijken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.