*

 

Erwin Mortier

Arjan Visser − 08/11/08, 00:00

Erwin Mortier (Hansbeke, België, 1965) is schrijver, dichter en essayist. Hij debuteerde in 1999 met ’Marcel’ waarvoor hij tal van prijzen ontving. Onlangs verscheen bij De Bezige Bij zijn vijfde roman ’Godenslaap’.

  • (FOTO BART VAN DER MOEREN)
  • (\N)

I Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„Vlamingen zijn sjoemelaars, ook in het transcendente. Ik herinner mij dat er in een dorp, een paar gemeenten bij ons vandaan, een pastoor woonde die een meid had van wie iedereen wel wist dat zij min of meer zijn vrouw was. Elke vakantie kwam er, uit het internaat, een ’nichtje’ bij hen op bezoek – niemand deed daar moeilijk over. Ook niet over de kapelaan die, zo had zijn buurvrouw op een dag gezien, een weduwe iets te letterlijk de ziekenzalving had toegediend.

Er is een onderscheid tussen de letter van de wet en de geest van de wet. De kerk schrijft voor, maar een mens is ook maar een mens. Het is de deugd der hypocrisie; een overlevingsstrategie in een samenleving die stringente, morele regels oplegt. De schaduwkant van die hypocrisie is echter dat niet alleen oogluikend wordt toegestaan dat pastoors er vriendinnen op nahouden, maar ook dat kindermisbruik stilletjes onder de mat wordt geschoven. Dat hangt natuurlijk altijd samen.

Voor mij was God een soort superpersoon, een identiteit boven de wereld, iemand die ons in het oog hield. In onze kerk stond – en staat nog steeds trouwens – boven het altaar een beeld van de Christus in majesteit, met zo’n globe, een wolk en een stralenbundel waar engelen in spelen. Ik weet nog dat wij tijdens die lange zondagsmissen, waarbij je je als kind natuurlijk al na vijf minuten te pletter verveelde, er een spelletje van maakten om zo lang mogelijk, zonder met je ogen te knipperen, je blik op het beeld te fixeren. Als je dat maar lang genoeg deed, begon de gestalte te veranderen en zag je er, vroeg of laat, een doodskop in. Achteraf bezien vind ik dit wel symbolisch voor mijn godsbesef; het is er wel, maar ik weet tegelijkertijd dat ik er begrippen heb opgeplakt, metaforen voor gebruik. Je moet je nooit verliezen in definities of dogmatiek. Ik denk dat mijn godsbesef mettertijd is geëvolueerd tot een spinozistische god die versmolten is met de krachten van het universum. Daar spruit voor mij toch een vorm van – hoe moet ik dat noemen – zeer bescheiden genade uit voort: deel uit te mogen maken van de natuur en zijn wetmatigheden. Of zoals Darwin zijn kijk op de oorsprong van het leven verdedigt: There is grandeur in this vision. Dat vind ik ook. Er is grandeur in die visie. Anderzijds is er natuurlijk de irrationele kant die ik vervloek noch fetisjeer en die is meer verbonden met de wetmatigheden van het menselijk bestaan, en ook van die van de schrijver of kunstenaar: ik zou Hem graag, mocht Hij bestaan, eventjes ontmoeten en van Hem verlangen dat Hij de poëtica van Zijn schepping voor mij uiteenzet. Ik beschouw God als een kunstenaar en mezelf als Zijn collega.”

II Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

„Ik heb de vloek altijd het ultieme gebed gevonden. Je kunt God geen groter compliment doen. Het is zoals Beckett zegt in Wachten op Godot: ’Hij bestaat niet, de smeerlap’. Dat vat de hele existentiële positie van onze cultuur samen. Het mooi gekleurde glasraam dat we voor het gat in onze schedel hadden ingeplant, het Ultieme Zijn, de garantie voor maatschappelijke orde, hebben we weggeblazen. Hij bestaat niet meer. Maar we zitten nog altijd met datzelfde gat.”

III Gij zult de dag des heren heiligen

„Misschien moet ik zeggen: op dinsdag ben ik van negen tot elf strikt gelovig, op woensdag ben ik atheïst en op zaterdag ben ik pantheïst. Waarom niet gelovig op zondag? Dan is iedereen het al. Ik ga ook liever niet op zondag naar de kerk. De mooiste kerk is een lege kerk.”

IV Eer uw vader en uw moeder

„Mijn vader is een zachte, stille kracht. Een wijze, weinig spraakzame, verbaal niet bijzonder getalenteerde man. Hij was de op één na jongste van een groot boerengezin, werd op zijn zestiende van school geplukt omdat zijn vader zwaar ziek werd en hij kostwinner moest zijn. Kwam terecht bij de Belgische posterijen waar hij, een paar jaar geleden, na een loopbaan van halve eeuw, is gestopt. Hij wilde ons zijn lot besparen, heeft zich altijd voor zijn kinderen ingezet. Natuurlijk: hij werd erbij geholpen door de democratisering van de samenleving en het onderwijs, maar toch‿ Ik herinner me nog goed: ik was, als eerste in onze familie, geslaagd aan de universiteit. Ik zat in de kamer, speelde piano. Mijn vader kwam thuis van zijn werk. ’En?’, hoorde ik hem in de keuken aan mijn moeder vragen. ’Ja’, zei ze, ’hij is geslaagd. Ga maar naar hem toe’. Hij geraakte niet verder dan de deuropening van de woonkamer – daar stond hij te huilen. Ik heb altijd het gevoel gehad dat vanaf dat ogenblik de puberale stormen, die in ieder vader-zoonrelatie aanwezig zijn, irrelevant werden. Je wordt pas echt de zoon van je vader op het moment dat hij al zijn hoop en wanhoop aan jou overlaat. Ik zag het. Daar. In die tranen. Het is zijn grote klasse geweest om niet zijn ambities, die door het noodlot gefnuikt zijn geweest, in ons verwerkelijkt te willen zien. Hij is in staat geweest om met een enorme ontgoocheling te leven; hij is er niet onder gebukt gegaan. Je kunt hem geen groter plezier doen dan naar huis te komen, rond de tafel te gaan zitten, te eten, te drinken en vrolijk te zijn.

Mijn moeder is een heel ander type. Impulsief, dierlijk, beetje Italiaans flamboyant. Mijn moeder was te rebels voor het klassieke schoolsysteem. Ze hield het er op haar zeventiende voor gezien. Mijn ouders hielden elkaar mooi in evenwicht. Wat ze deelden, was de behoefte om de vensters van die kleine wereld waar zij, door historische omstandigheden, aan gekluisterd waren voor hun kinderen open te gooien. Mijn vader nam ons mee naar de bibliotheek. We moesten lezen, kennis opdoen. Naar de muziekschool. Allemaal zuurstof. Wij konden het doen, we moesten het doen – maar zonder expliciete verwachtingen.

Ik heb nooit de druk gevoeld om aan verwachtingen te voldoen, daarvoor heb ik te veel van mijn moeders karakter meegekregen. Ik kan weinig ontzag opbrengen voor blind gezag en tucht. Ook mijn schooltijd is turbulent verlopen, al was ik nooit de rebel die zij is geweest. Op school draaide alles om kennis, kennis, kennis, het liefst als voorbereiding voor een job in de economie of zo. Kunst, waar ik van hield, werd gezien als een ziekte van rare mensen. De buitenstaanderpositie, die me hielp scherp naar de wereld te kijken, werd versterkt toen ik merkte dat mijn verlangens uitgingen naar de heren. Mijn moeder vermoedde het al – vraag me niet hoe dat kan. Ze heeft het me, toen ik vijftien was, op de man af gevraagd. Ze zei: ’Vertel het nog maar niet aan je vader’. Ik heb het hem uiteindelijk nooit verteld. Hij heeft het zelf zijdelings ter sprake gebracht toen hij samen met Lieven, mijn wederhelft – met wie ik inmiddels twintig jaar samen ben – in de auto zat. ’Het voornaamste wat je als vader wil’, zei hij, ’is al je kinderen gelukkig zien’. Dat was alles. Het was zijn zegen.

Het is vreemd: hoe zeer ik ook mijn eigen leven heb, mijn visies op het leven, de manier waarop ik mijn leven uitbouw; er is altijd de gedachte dat het laatste dak dat me beschermt tegen de naaktheid van de elementen op een dag zal wegvallen. Dat besef van vergankelijkheid kan me soms zo maar bevangen. De laatste jaren zijn heel wat vrienden overleden. Soms zie ik de dood als een grove drukfout in het universum, maar tegelijkertijd zorgt het besef dat mensen je kunnen ontvallen er ook voor dat je een enorm bullshitfilter krijgt. Ik weet steeds beter te onderscheiden wat van belang is en wat niet.”

V Gij zult niet doden

„Ik zou mijn dienstplicht gaan doen. Acht maanden, dacht ik, dan zijn we er maar vanaf. Lieven zei: ’Zou jij jezelf het Belgische leger wel aandoen?’ Gisteren kwam het tijdens een etentje bij vrienden nog eens ter sprake: als ik ergens het nut niet van inzie, doe ik het niet. Al stonden ze mij met duizenden toe te roepen. Ik geloof dat ik toen een verstandige keuze heb gemaakt want ik zou mezelf een rottijd op de hals hebben gehaald. In mijn motivatie heb ik mij schaamteloos als een soort tweede Gandhi opgeworpen. Ik moest ook voor zo’n commissie verschijnen die in je ziel kijkt om te controleren of je morele bezwaren tegen het leger wel oprecht zijn. Het bleek een formaliteit. Er zat een korporaal en een man in burger die het dossier nakeek en ergens een handtekening onder zette. Daarna kon ik aan mijn burgerdienst als wetenschappelijk medewerker bij het Dr. Guislain-museum beginnen.

Ik weet niet of ik zou kunnen doden. Ik zou niet in alle gevallen tegen de doodstraf zijn, maar als ik die straf zelf zou moeten voltrekken, begin ik toch te huiveren. Misschien zou ik het kunnen als ik, komend uit de Tweede Wereldoorlog, de enige overlevende van mijn joodse familie bleek te zijn en een nazi moest berechten. Uiteindelijk, hoe je het ook draait of keert, gaat het om geïnstitutionaliseerde wraak. Ik vind het symbool van de geblinddoekte vrouw met het zwaard en de weegschaal mooi omdat daarin wordt uitgebeeld hoe wraak wordt omgezet in gerechtigheid. Mijn haren rijzen mij te berge als ik zie hoe populistische figuren – jullie hebben ze tegenwoordig ook in ruime mate in het politieke landschap – schaamteloos inspelen op rudimentaire wraakgevoelens van de straat. Justitie moet altijd de buffer zijn.”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

„Zo rond mijn zevende moest ik, ter voorbereiding op de eerste communie, naar de biecht. De onderwijzer schreef de verschillende typologieën van zonde voor ons op het bord. Je had gewone zonden, zware zonden, hoofdzonden en doodzonden. Onder elke zonde schreef hij een paar voorbeelden, als een soort vademecum, voor als we straks die biechtstoel in moesten. Het leek mij belangrijk om een mooie mix van zonden te maken, met één doodzonde minimaal. Onkuisheid stond, meen ik, bij de zware zonden. Dat was, volgens onze vooroorlogse onderwijzer: ’Niet goed zijn voor je eigen lichaam’. Toen ik uiteindelijk in het biechthokje zat, leek het mij na een of twee biechten wel tijd om er een iets zwaardere zonde tussen te gooien, dus ik zei: ’En ik heb ook onkuisheid gepleegd’. Ik zag de pastoor, achter zijn rieten gaasje, even schrikken. ’Was je alleen of met twee?’, vroeg hij. Daar had ik nog niet over nagedacht. Ik had me niet op zo’n kruisverhoor voorbereid. Ik dacht: nu moet ik ook niet zuinig gaan doen en flapte eruit: ’Met drie, meneer pastoor’. Ik weet niet meer wat mijn penitentie was, maar ik herinner me nog wel hoe mijn ouders simultaan een lachstuip kregen toen ik hen, nadat ik hen over mijn eerste biecht had verteld, vroeg: ’Wat is onkuisheid eigenlijk?’”

VII Gij zult niet stelen

„Vlakbij de lagere school had je een zelfbedieningszaak waar het snoep voor het oprapen lag. Het was geen kunst om die winkel te plunderen. Om onszelf een beter schuldgevoel te geven zijn we toen overgeschakeld op een kleiner snoepwinkeltje van een arme weduwe. Gaf toch iets meer cachet aan onze biecht. Daar ging het ons alleen maar om. Ik ben ook niet in de criminaliteit terechtgekomen. Een keer, toen ik in een Frans kasteel aan een van mijn boeken werkte, ben ik in de verleiding geweest om iets te stelen. Het was een doosje fraai gedraaide kristallen penpunten dat ik in een lade van de secretaire vond. Ik heb er wel mee geschreven, maar ik heb ze niet meegenomen. Nog datzelfde jaar ben ik, op een antiekmarkt, op zo’n doosje pennen gestuit. Zo werd mijn deugdzaamheid toch beloond.

In de literatuur steel ik voortdurend. Als puber ging ik alle goede bibliotheken af en alles wat me in boeken frappeerde, schreef ik over. Gaandeweg heeft zich een eigen artistieke persoonlijkheid gevormd, maar vintage Mortier, nee, dat bestaat niet. Ik laat me inspireren, ik word beïnvloed. Mijn boek ’Godenslaap’ zit vol knipogen naar bestaande schrijvers. Zo heb ik drie zinnetjes uit de dagboeken van Edith Wharton – een bombardement, het gedaver, een restaurant, zicht op de nachtelijke linies – vanuit een ander camerastandpunt uitgebreid tot een uitgebreide, verhalende passage. Dat is geen jatwerk. Het is vooral een eerbetoon.”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

„Was het Mulisch niet, die zei: ’Een schrijver liegt altijd de waarheid?’”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

„Volgens onze catechismus, het geloofsboek van de Belgische bisschoppen dat ik geregeld opensla om eens goed te lachen, zijn homoseksuele daden in strijd met de natuurwet of zoiets. Voor mij wordt het pas onkuis als het om de pure lust of het blinde genot gaat. Ik wil niet als een moraalridder neerkijken op homoseksuelen voor wie alleen de seks belangrijk is, maar voor mij speelt het unieke zijn van en het verlangen naar één persoon een belangrijke rol. Ik ben mijn man trouw.

Toen ik Lieven leerde kennen, ging het licht aan in mijn leven. Het is zoals Helene in ’Godenslaap’ beschrijft: een of twee keer in je leven kom je iemand tegen die als het ware in één klap je moleculen herschikt. We deelden dezelfde kijk, dezelfde weemoed en waar we anders zijn – Lieven is een Reviaan, ik ben meer een liefhebber van Hermans – vullen we elkaar aan. Er zijn voldoende gelijkenissen en verschillen om een zich steeds verdiepende dynamiek op gang te brengen. Daar komt het op neer. Voorbestemming? Dat is nogal protestants, toch? Daar doen we hier niet aan. Het is puur geluk. In de twintig jaar die we samenzijn ben ik wel eens iemand tegengekomen van wie ik dacht: met hem had het óók gekund. In de loop der jaren ben ik wel gaan zien hoe, in die wiskundige deelverzameling, stukken van onze persoonlijkheden onderdak vinden bij elkaar, maar dat neemt niet weg dat er ook gebieden van mezelf zijn waar ik iemand anders kan tegenkomen, of beminnen. Soms is het beminnen met een diepte die in de buurt komt van wat je voor je partner voelt, maar dat is bij ons nooit een probleem geweest. Seks, ja, dat kan er bijkomen. Daardoor ben je niet ineens ontrouw. Men maakte zich onlangs in de Oostenrijkse pers nogal vrolijk over het feit dat Jörg Haider een relatie met die jonge kerel, Pretzner, had gehad en dat zijn vrouw er kennelijk van had geweten. ’Ik beminde hem als een vrouw. Hij beminde hem als een man’, zei ze daarover.

Ik ken de situatie niet, ik moet afgaan van wat er in de pers rondzoemt, maar als het is zoals zij zegt dat het is, kan ik dat perfect begrijpen. Pas als je, terugkijkend op je leven, zegt busladingen mensen te hebben gehad met wie je zo’n hechte verbondenheid had, zal ik dat verdacht gaan vinden.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„De literatuur is een immense zee van anonieme stemmen waar ik, door zelf ook te schrijven, als het ware in kan oplossen. Ik doe niet aan een competitie mee. Als ik iemand bewonder, stuur ik een brief of een mailtje: wat heb je toch weer een goed boek geschreven, klootzak.

Ik geloof nooit, deep down, dat ik het beter kan. Integendeel: vanaf het moment dat ik kon lezen ben ik hongerig geweest, een alleseter, iemand die stemmen van anderen kan appreciëren in hun eigenheid.

Ik heb een talent dat zich deels zelfstandig ontwikkelt en deels gevoed moet worden, maar het is een proces dat je niet volledig kunt beredeneren; het is een reis, een pelgrimage naar schriftuur die bijna vanzelf, op een of andere manier, de wereld weerspiegelt.

Het is mijn droom om, als ik zeventig word of ouder, me bevrijd te weten van allerlei narratieve vormen en gewoon te kunnen schrijven over mijn jeugd, mijn leven. Als wat je beleeft of hebt beleefd literatuur wordt zodra je het op papier zet dan heb je als schrijver het hoogste bereikt. En dan? Ja, dan is het klaar. Dan is het doel bereikt en moet je sterven. Soms ben ik bang dat ik niet op tijd klaar zal zijn. Het leven is zo kort. Het frustreert me dat ik zoveel dingen niet ga zien, niet ga weten, niet zal meemaken. Het bestaan vervult me met een intens welbehagen, ook al heeft het zijn harde, verschrikkelijke kanten. Het is soms een hel, de wereld, maar vaker nog is het een plaats van absolute pracht.”

mailIcon print |