Trouw-redacteur Iris Pronk beschouwt zichzelf als low profile vegetariër. Vleeseters proberen haar met zekere regelmaat te bekeren. „Ik vind dat niet zo erg. Misschien, besef ik nu, vind ik het zelfs wel prettig.” Alle illustraties zijn van dichter, vertaler en beeldend kunstenaar Erik Bindervoet.
Een plofkip uit de bio-industrie is zielig, maar wel mals en nog goedkoop ook. Terwijl haar zusje van het boerenerf taai is en je er drie keer zoveel euro’s voor neerlegt. Zie hier een van de ’vreselijke dilemma’s’ waarvoor carnivoren zich geplaatst zien. Vegetariërs hebben het maar makkelijk, verzucht culinair journalist Sylvia Witteman in haar boek ’Het lekkerste dier’ (2009): „Zij eten gewoon geen vlees en dat is dat.”
’Het lekkerste dier’ is een kookboek, met recepten voor taaie kip én plofkip, maar ook voor kalkoen, kalfstong, varkensnek, konijn en eend. Die laatste moet je van Witteman van alle ’bijgeleverde ingewanden’ ontdoen en dan in de kokende bouillon laten zakken, met zijn nek naar beneden. Dode dieren kun je snijden, hakken, villen, uitbenen, plukken, leeg lepelen, vermalen, kneden, en dan – ingesmeerd met knoflookpulp en gebakken in echte boter – met veel smaak eten, leer ik van Witteman.
Haar boek was voor mij ongebruikelijke lectuur. Dat ik het toch las, komt door de ondertitel: ’Bekering van een vegetariër’. Witteman droeg het boek op aan haar ’goede vriend Henk’, die – om verder niet door haar geëxpliciteerde redenen – overweegt om ’tofuverlater’ te worden en dus vlees te gaan eten.
In het kader van de Boekenweek, die dit jaar over dieren ging, trad Witteman op in Breda. De organisator zocht een interviewer en vond het spannend dat ik vegetariër ben. Mij leek zo’n confrontatie voor publiek ook wel interessant, en dus ploegde ik ter voorbereiding door de recepten heen.
Ik ben altijd een low profile vegetariër geweest, een gast die de kok niet tot last wil zijn, die eventuele spekjes best uit de andijviestamp wil vissen, en die geen enkele behoefte voelt om tafelgenoten op de voorgeschiedenis van hun karbonade te wijzen. Baas op eigen bord, de mensen zoeken het zelf maar uit.
Nu dwong Wittemans boek me tot reflectie op de vleeseter. Ik las over gevulde kalfsborsten, stomme kippen ’met bar weinig schattigheidsappeal’ en koeien die de pan in moeten, omdat ze anders toch maar in de weg lopen. Dat deed ik met groeiend ongemak. Voor Witteman is die pan het begin van een hedonistisch vleesfeest. In mijn hoofd weerklonken toch vooral de nood- en doodskreten die aan de pan voorafgaan.
Mijn ongemak werd versterkt door de ontmoeting met Witteman te Breda. Al gauw bleek dat haar goede vriend Henk een gimmick was en helemaal niet bestond. En dat die ’vreselijke dilemma’s’ rondom ethiek en dierenleed niet alleen de schrijfster maar ook de carnivoren in de zaal koud lieten. „Hoe bereidt u nou lamsniertjes?”, wilden ze weten. Ik voelde me ineens alleen, en ik begon ook nog mijn gevoel voor humor te verliezen. Dat is dodelijk voor een vegetariër.
Humor is voor een lelijke man wat een toupetje is voor een kale man, zei schrijver Arnon Grunberg eens. Nu zijn vegetariërs niet per definitie lelijk, maar ze moeten wel iets camoufleren: de overtuiging dat ze gelijk hebben.
Die ga ik hier niet breed uitmeten, want ik ben als de dood om voor drammer te worden versleten. Ik beantwoord niet graag aan het beeld dat veel vleeseters nog steeds koesteren: vegetariërs zijn schoolfrikken à la Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren. Of saaie gezondheidsfreaks, ze drinken en roken vast ook niet, er is geen lol met ze te beleven.
Vlees eten heeft in sommige kringen een sexier imago, schrijft Dirk-Jan Verdonk in zijn proefschrift ’Het dierloze gerecht. Een vegetarische geschiedenis van Nederland’ (2009). Het wordt geassocieerd met onverantwoordelijkheid, hedonisme, immoraliteit, machismo en decadentie, „waarden waar je je in kon verlustigen”. Wie tegen de biefstuk predikt, is een moraalridder.
Dat wil haast niemand zijn. In het wetenschapskatern van de Volkskrant stond dit voorjaar een artikel met als strekking dat eters van veel vlees meer kans hebben op kanker en hart- en vaataandoeningen. Het was geen opiniestuk, maar een keurig verhaal waarin verschillende onderzoekers hun zegje deden over de (on)gezondheid van vlees. Toch stond eronder: ’De auteur is geen vegetariër’. Dat zal wel zoiets betekenen als: hij probeert u echt niet te bekeren, hij is alleen maar de brenger van een u wellicht onwelgevallige boodschap.
Nog een voorbeeld, uit deze krant. Onder de kop ’We gaan over vlees niet drammen’ verdedigde hoofdredacteur Willem Schoonen het standpunt dat we met z’n allen wat minder vlees moeten eten. Om zijn stuk te besluiten met een sussende zin waarin iets van machismo doorklonk: „Maar in de dagelijkse recepten van Trouw zal nog wel eens een biefstuk in de pan glijden.”
Drie dagen na deze brief van de hoofdredacteur, op 22 september, dook alweer de combinatie ’drammende vegetariërs’ op. Dit keer boven een column van Sylvain Ephimenco die fulmineerde tegen de Indiër Rajendra Pachauri van het Intergovernmental Panel on Climate Change. Hij had het gewaagd om voor een vleestaks en een verplichte ’vega-dag’ te pleiten. „Ooit een drammerige carnivoor meegemaakt die vegetariërs eens per week wil verplichten vlees te eten?”
Die vraag van Ephimenco was ongetwijfeld retorisch bedoeld. Maar mijn antwoord luidt: ja. Ik heb in de dertig jaar waarin ik mij nu van vlees onthoud talloze drammerige carnivoren ontmoet. Zij zitten nog steeds geregeld naast me aan tafel, in een huiskamer of restaurant. Met mijn vleesloze dieet verstoor ik de ’disverbroedering’, zoals de Amerikaanse schrijver Jonathan Safran Foer stelt in zijn recentelijk verschenen boek ’Dieren eten’. Ik onttrek me aan de hoofdmoot van het gezamenlijke diner. En dat zal ik horen ook.
Op mijn mededeling ’Ik eet geen vlees’ volgen steevast dezelfde geestige opmerkingen. In zijn pamflet ’Eetgeenvlees’ (2006) noemt Hugo Brandt Corstius ze ’de zesentwintig vaste commentaren van het vleesetersalfabet’.
Ik citeer er een paar. „Hitler was een vegetariër.” „Ik zie dat je leren schoenen draagt.” „En eet je wel vis?” „En, zijn de dieren je dankbaar?” „Zeker ook geheelonthouder?” Brandt Corstius eindigt zijn alfabet met: „Hitler was ook een vegetariër. O, dat zei Piet geloof ik ook al.”
Vegetariërs eten geen vlees, omdat vlees eten nu eenmaal moeilijk valt goed te praten. Ik vermoed dat de grootste groep daarmee niemand lastig valt. De vegetariërs althans die ik ken, verorberen hun tofuburgers zonder opgeheven vingertje.
Het verschil tussen de vegetariër en de vleeseter is dat die laatste zich aangevallen voelt door de ’Eetgeenvlees’, zegt Brandt Corstius. „Eetgeenvlees weet dat hij de vleeseters niet moet proberen te bekeren. Maar de vleeseter wil argumenteren met Eetgeenvlees. Hij wil bewijzen dat Eetgeenvlees een misleide idealist is en een domkop, die bovendien door zijn gedrag hem, de vleeseter, op sluwe wijze als minderwaardig, wreed en ongevoelig wil neerzetten.”
Brandt Corstius snijdt impliciet een interessante kwestie aan. Want vindt hij de vleeseter niet stiekem minderwaardig? En de vegetariër een beter mens?
Nu bestaat dé vleeseter natuurlijk niet. Behalve drammerige carnivoren zijn er ook weifelende, schuldbewuste, selectieve vleeseters, parttime vegetariërs, biologisch vleesaanhangers, één-keer-per-week carnivoren, de ’ik zou het liever laten maar ik vind het helaas zo lekker’-vleeseters.
Tot die wannabe vegetariërs behoorde ook Jonathan Safran Foer, voordat hij zich voor zijn boek verdiepte in de bio-industrie. Hij vergelijkt vlees met de sigaret, ook zo’n slecht maar lekker middel. „Volgens Mark Twain was stoppen met roken een van de eenvoudigste dingen die een mens kon doen; hij deed het voortdurend. Ik voegde het vegetarisme toe aan de lijst met eenvoudige dingen. Op de middelbare school werd ik vaker vegetariër dan ik me kan heugen.”
Dé vegetariër bestaat evenmin. Mensen kiezen om heel verschillende redenen voor een dierloos dieet. Omdat ze dat gezonder vinden, omdat ze heel veel van dieren houden, of omdat ze zich zorgen maken over de klimaatvervuiling als gevolg van de vleesproductie.
Voor mij persoonlijk is de bio-industrie dé reden om van kipfilets en speklapjes af te zien. De gedachte aan het half miljard dieren dat jaarlijks in Nederland wordt vermoord na een leven onder kunstlicht op één A4’tje (kip) of 0,7 vierkante meter (varken), ontneemt mij de lust. Kippen moeten scharrelen op het erf, varkens moeten wroeten in de modder, en niet vanaf hun geboorte tot kiloknallers worden gedegradeerd. Sowieso hoeven ze niet dood alleen maar voor de lekker.
Zie hier mijn kloeke standpunt. Dat sommige vleeseters me daar vanaf proberen te brengen, vind ik niet zo erg. Misschien vind ik het, zo besef ik nu, in zekere zin zelfs prettig.
Door mij aan te vallen, geven ze me de kans om te gloriëren in mijn rol: die van de minzaam zwijgende vegetariër, die heus mededogen voelt met de genotzuchtigen die géén weerstand kunnen bieden aan het gebraden of gestoofde vlees. We kunnen niet allemaal zo sterk zijn als ik.
Al moet ik bij dat ’sterk’ wel een kanttekening maken. Mij kost het toevallig helemaal geen moeite om het dode dier te laten staan. Mijn moeder is vegetariër, op onze tafel verscheen vroeger slechts heel af en toe een gebraden kippetje. Los van een incidentele smeerworst voor op brood, kijk ik terug op een vleesloze jeugd. Ik mis nog steeds niks, eet in een restaurant weleens met lange tanden de zoveelste flauwe omelet, maar dat is dan ook mijn grootste offer.
Je zou kunnen zeggen dat mijn vegetarisme een eenvoudige gooi is naar de titel van ’beter mens’. Die status kun je op veel meer manieren bereiken: door je auto weg te doen, af te zien van vliegreizen, korter dan vijf minuten te douchen, je afval consequent te scheiden, de verwarming op 18 graden te zetten en dikke truien te dragen of door vrijwilligerswerk voor Wakker Dier te doen. Allemaal dingen die mij wél moeite kosten, en die ik daarom achterwege laat. Met enig schuldgevoel, maar dat weet ik doorgaans snel te sussen. Ik eet immers geen vlees, dat is tenminste iets.
Een vleesloos leven heeft nóg een groot voordeel. Ik hoef nooit meer na te denken over de dieren. Ik hoef me niet ellendig te voelen over die grote grijpers waarmee jaren geleden – toen de varkenspest woedde – al die varkenslijken in containers werden gedumpt. Of over kuikens die levend in de versnipperaar verdwijnen. Of over varkens die worden afgetrokken bij het vermeerderingsbedrijf. Of over gedegenereerde kalkoenen, die in hun korte leven voor de slacht niet eens normaal kunnen lopen. Aan mij ligt het niet.
In mijn hoofd zijn de varkens, de kippen, de koeien en de konijnen goeddeels afwezig. In mijn hart eigenlijk ook: ik ben geen dierenliefhebber. Als kind kwam ik niet verder dan een halfslachtige poging tot het houden van cavia’s. Nu vrees ik de dag waarop mijn dochters een poes willen. Dieren hebben mij nooit erg kunnen vertederen, mijn standpunt dat ze een leven en geen marteling en wrede dood verdienen, is geworteld in de ratio.
Daarmee ben ik misschien wel een atypische vleesonthouder. Dring je diep in vegetarische kringen door, zegt Dirk-Jan Verdonk, dan staan dieren centraal in de aandacht. Ze krijgen pootjes, een zachte snuit, een persoonlijkheid, een bewustzijn, ze blijken pijn te voelen, hebben recht op leven en bescherming.
Carnivoren denken volgens hem veel minder na over dieren. „Vlees eten maakt dieren afwezig. Heel letterlijk als voorwaarde om ze als ingrediënt te verwerken, maar voor wat betreft de moderne maaltijd veelal ook symbolisch, door het verband te verhullen tussen het vlees en het reële, concrete dier tot wie dat behoorde, door dieren te veranderen in een anonieme abstractie.”
Het moderne vlees komt voort uit ellende, uit een horrorfilm, volgens Jonathan Safran Foer. Dat ontkennen verreweg de meeste mensen door een „eenvoudig trucje van de achtertuin-astronoom: als het moeite kost om iets te zien, kijk er dan net naast”.
Onze versluierende taal helpt bij het grote vergeten. Mensen eten geen dieren maar ’vlees’, koeien en kippen worden niet gemarteld en gedood maar ’verwerkt’. En de ongewenste zeedieren die in de netten van de intensieve visserij zwemmen, noemen we ’bijvangst’. Terwijl de bijvangst van één kilo garnalen uit Indonesië maar liefst 52 kilo is, zo noteert Foer.
Dieren worden pas weer zichtbaar als in cellofaan verpakte hompen in de supermarkt. Ook voor mij, al pak ik uit het vleesschap uitsluitend vegetarische balletjes. Uit het visschap ernaast nam ik overigens nog weleens een duurzame zalmmoot mee, maar die zit mij, na het lezen van Foers ’Dieren eten’, ook niet zo lekker meer.
Ik heb het eten van dieren altijd met een al dan niet bewuste schaamte verbonden. Maar toen belandde ik dus in die boekwinkel in Breda, met een laconieke Sylvia Witteman die onbekommerd het vlees wilde vieren. Het dier was louter in onthoofde, ontlede, geknede, gebakken en gemarineerde vorm aanwezig. En niemand die geïnteresseerd was in het standpunt van de vegetariër. Zelfs niet uit beleefdheid.
En toen werd ik dus boos. Vanwege die arme, miskende dieren, dacht ik. Nu, maanden later, moet ik toegeven dat me ook iets anders dwarszat: de miskenning van mij als beter mens.
Laatst maakte een collega een goed bedoeld grapje: „Ben jíj vegetariër? Wat zie je er dan nog goed uit!”
Kijk, dát hoor ik graag.
Iris Pronk is redacteur opvoeding en jeugdzorg van deze krant.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.