In Nederland worden kleine dingen groot en grote dingen klein gemaakt. Een probleem van een zeilstertje en haar ouders of de relatieaffaire van Wesley en Yolanthe domineren dagenlang het nieuws, zelfs in de serieuze media, en de premier moet er vragen over beantwoorden. Maar uiteindelijk gaat het hier om non-nieuws uit de privé- sfeer dat een serieus debat niet waard is.
Dat omgekeerd grote dingen klein worden gemaakt, blijkt uit de discussie over het mogelijke vertrek van premier Balkenende naar Brussel. Gaat hij wel of gaat hij niet is een nationaal gezelschapspel en in de politiek klinkt: ’laat hij vooral naar Brussel gaan, ook al wordt hij niet gekozen’ (Wilders), hij moet niet gaan ’want er is veel werk aan de winkel’ (Bos) of een simpel ’wij willen hem niet kwijt’ (Spies). Wie hem wil houden bagatelliseert de functie – ach, het is maar een symbool – en de oppositie eist nieuwe verkiezingen.
Ik hoor niemand in de politiek zeggen: Balkenende for president is zo belangrijk voor Nederland dat we achter hem staan en we het politieke probleem dat met zijn vertrek ontstaat wel oplossen. Het feit dat kennelijk niemand dit vindt, inclusief de daarbij behorende trots dat een Nederlander op zo’n post terecht komt, tekent het gebrek aan ambitie van dit land.
Volgende week wordt de knoop dan tijdens een ingelaste top doorgehakt. Ik kan mij voorstellen dat sommige landen moeite met onze premier hebben, niet om zijn prestaties in de binnenlandse politiek, maar om het feit dat zijn regering het referendum van 2005 heeft verklooid waardoor de anti-Europese stemming hier verder is aangewakkerd. In het buitenland wordt hem dat hard aangerekend.
Toch mag ik voor Nederland hopen dat Balkenende de baan krijgt. Kennelijk bekent dit dat ondanks al het maatschappelijke en politieke gedoe hier in Nederland, ons land nog niet van de internationale politieke kaart is verdwenen. Belangrijker is dat zijn benoeming kan bijdragen aan een nieuwe Nederlandse blik naar buiten en nieuwe nationale ambities. Beide zijn nodig om uit de economische crisis te komen.
Het kabinet heeft zelf geformuleerd hoe Nederland sterker uit de crisis kan komen: door versterking van de concurrentiepositie ten opzichte van andere landen door te investeren in de kenniseconomie. Neem de innovatiebrief die met Prinsjesdag naar de Kamer werd gestuurd, maar nauwelijks publiekelijk is bediscussieerd. Nederland moet één van de vijf meest concurrerende economieën in de wereld worden. Een prachtige ambitie.
Maar er komt nog weinig van terecht. Nederland is afgezakt van de achtste naar de tiende plaats op de ranglijst van de meest concurrerende economieën. Veel politici denken, naar ik vrees: ’Ach, een tiende plaats is ook mooi’.
De ’kennis investeringsquote’ van Nederland blijft achter. Wij besteden 7,5 procent van het bruto binnenlands product (bbp) aan kennis en onderzoek, minder dan het OESO-gemiddelde van 8 procent bbp. Fundamenteel onderzoek blijft in de komende bezuinigingen buiten schot, maar een korting van twintig procent op toegepast wetenschappelijk onderzoek wordt niet uitgesloten. Dat moet maar worden gecompenseerd door meer focus en effectiviteit, zegt het kabinet. En dat, terwijl landen als Duitsland, Frankrijk en de VS hun investeringen in kennis, onderzoek en ontwikkeling substantieel vergroten.
De Nederlandse zesjescultuur kan nog worden gekeerd. Maar dan is er meer ambitie nodig, en het uitdragen van een visie. Op brede politieke steun kan de kenniseconomie hier nog niet rekenen.
Ondertussen moeten politici ophouden grote dingen klein te maken. Nationale ambities, zoals Balkenendes gang naar Brussel, zijn te belangrijk om ze te verengen tot partijpolitiek geneuzel.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.