Het is rustig in de gangen van het College voor Beroepsonderwijs in Purmerend. Een paar meisjes dwalen door de gang. „Weet jullie leraar wel dat jullie weg zijn?”, roept een vriendin. „Nee”, is het antwoord. „Misschien moeten we maar teruggaan.”
Deze school richt zich vooral op vmbo-basis en vmbo-kaderleerlingen: er zijn uitgestrekte ’werkpleinen’, waar gesleuteld wordt aan automotoren, poppen in ziekenhuisbedden liggen en hele administratiekantoren zijn nagebouwd.
Twee jaar geleden, toen de school nog De Koogmolen heette, had de gemengde leerweg er nog een plekje. Maar met die leerlingen ging het niet goed. Op de belangrijke vakken Nederlands, Engels en wiskunde scoorden de geslaagden gemiddeld onder de zes op hun eindexamen. Daarom komt de school ook zeer slecht naar voren in de Schoolprestaties.
Niet leuk, maar het oordeel komt niet onverwacht, zeggen schoolleider Peter van Gijzel en campusdirecteur Bernadette Nouwen. „We wisten dit al wel; wij hebben de eindexamencijfers natuurlijk ook gezien”, aldus Nouwen. Volgens haar was er geen sprake van een eenmalige slechte lichting leerlingen: „De cijfers zakten al een aantal jaar.”
Van Gijzel denkt ook te weten hoe het komt. „Die leerlingen in de gemengde leerweg waren vooral degenen die het goed deden in de kaderopleiding. En dan krijg je grote druk van ouders: ’Kan mijn kind toch niet een niveautje hoger?’ Ook als school ben je erg betrokken bij die leerlingen, dus ben je geneigd te zeggen: laten we het maar proberen. Achteraf gezien kwamen er dus kinderen op die leerweg die daar misschien helemaal niet hadden moeten zitten.”
Van de 29 leerlingen die in 2008 examen deden is het grootste gedeelte ondanks hun slechte cijfers toch geslaagd. Dit komt met name omdat ze wel goede cijfers haalden op het door de school gegeven schoolexamen. Het verschil was gemiddeld wel 1,6 punt, terwijl dat volgens het ministerie van onderwijs niet meer dan een half punt mag zijn.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, vinden ook de schoolleiders, maar misschien wel begrijpelijk. Van Gijzel: „We hebben gesprekken met de betrokken docenten gevoerd, met als vraag: hoe kan dat nou? Dan blijkt: je staat als leraar zo dicht bij die leerlingen. Je ziet ze hard werken, en dan strijk je wel eens met je hand over het hart.” Als schoolleiding heb je dan pas op termijn in de gaten wat er aan de hand is, aldus Van Gijzel.
De schoolleiding heeft niet stilgezeten toen ze de cijfers zag verslechteren. Inmiddels is er veel veranderd op het College voor Beroepsonderwijs. Een nieuwe naam, maar ook een nieuwe inrichting van de school. Ten eerste zijn er maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat leerlingen geen onderwijs meer volgen dat ze niet aankunnen. Aan het eind van het tweede leerjaar moeten ze een Citotoets maken. Scoor je daar niet goed genoeg op, ga je ook niet naar de gemengde leerweg.
Die is inmiddels ook in een ander gebouw gehuisvest; het College voor Beroepsonderwijs focust zich nu alleen nog maar op de bovenbouw van de kader- en basisleerwegen en zit samen met een mbo in één pand.
Met dat mbo, het Regiocollege West-Friesland, is het College voor Beroepsonderwijs een nauwe samenwerking aangegaan. Doel is om het gat tussen het vmbo en mbo te verkleinen. En dat heeft succes, aldus Nouwen. „De leerlingen gaan na hun eindexamen in mei niet thuis zitten, maar gelijk weer aan de slag op het mbo. Daardoor is het aantal schoolverlaters flink gedaald.”
De hamvraag blijft: is het College voor Beroepsonderwijs nu een slechte school? Nee, zeggen de schoolleiders natuurlijk. „Als er structureel grote groepen leerlingen laag scoren, dan kun je van een slechte school spreken”, vindt de campusdirecteur. „Maar dit was maar een kleine groep. En toen we daar de resultaten zagen verslechteren, hebben we er wat aan gedaan. Alleen: de resultaten zie je niet altijd direct”.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.