*

 

Stem van het stille boerenleed

Frans Dijkstra − 14/12/09, 00:00

Als het thuis op de boerderij mis ging, dan nam ze snel een besluit. Desnoods tegen alle traditie in. Want ze zocht echte oplossingen, net zoals ze dat deed voor andere boerengezinnen.

  • (Trouw)

Het was liefde op het eerste gezicht. Frans Bouwhuis en Ria Tiggeloven vielen voor elkaar op het feestje dat zij met andere meisjes gaf om te vieren dat ze geslaagd waren voor hun verpleegstersopleiding. Hij was boer in het Sallandse Laag Zuthem, zij was een boerendochter uit het Twentse Vriezenveen. Ze leken voor elkaar geschapen.

Maar hun verkering was een beetje lastig. Ria woonde in bij de nonnen van het ziekenhuis in Almelo en die waren wantrouwig tegen herenbezoek. Menigmaal ontdoken jongens de bezoekregels en zochten ze een goed heenkomen via de achterdeur of het raam.

Pas toen ze een jaar later trouwden in 1966 leken ze hun vrijheid te krijgen. Maar Ria trouwde niet alleen met Frans, ze kreeg zijn vader en twee broers erbij toen ze introk bij Frans op de boerderij in Laag Zuthem. Na het overlijden van Frans’ moeder was daar een jaar of vier geen vrouwvolk meer geweest. Ria, begin twintig nog maar, stelde het mannenhuishouden op orde. Van werken als verpleegster was geen sprake meer. Een getrouwde vrouw werkte niet buitenshuis, dat sprak vanzelf.

Binnen drie jaar had ze ook twee kinderen, Petra en Marc. In 1974 kwam er een nakomertje, Servan. En ze verzorgde de vader van Frans tot hij in 1975 overleed. Ondertussen deed ze de boekhouding van de boerderij met melkkoeien en varkens. Zoals gebruikelijk op een boerderij, waren er altijd nog hand- en spandiensten te doen voor de vrouw.

Het bedrijf leek goed te gedijen. Ze besloten een ligboxenstal te bouwen, voor extra koeien. De bank keurde de financiering goed. Maar toen de stal klaar was in 1980 was de rente gestegen van 7,5 naar 14 procent. De schuld steeg het gezin boven het hoofd. De bankdirecteur kwam al kijken hoe het ervoor stond.

Ria besloot dat er maar één oplossing was: ze moest buiten de deur gaan werken. Dat was in boerendorpen nog altijd niet geaccepteerd. Liever armoe lijden in stilte, dan toegeven dat je diep in de problemen zit. Ria koos voor het ongehoorde.

Eerst vroeg ze toestemming aan haar jongste zoon. „Als ik buiten de deur ga werken, dan moet je me helpen”, zei ze tegen de 6-jarige Servan. „Denk je dat je je eigen boterham kunt smeren en dat je zelf je bed kunt opmaken?” Servan zei dat hij dat wel kon. Frans zou meer gaan doen aan het huishouden. De kinderen konden hem altijd vinden want zijn land lag bij de boerderij.

Ria ging werken bij een instelling voor thuiszorg in Zwolle, waar ze mensen met het huishouden hielp. Dat werk gaf haar de stimulans om ook weer te gaan leren. Ze koos voor de avondopleiding maatschappelijk werk. Ze dacht aan haar vader die haar had aangemoedigd om te leren en de hbs te volgen. ’Je moet zorgen dat je wordt zoals Marga Klompé, dan hoef je nooit meer te werken’, had hij gezegd. Klompé werd in 1956 de eerste vrouwelijke minister van Nederland.

Terwijl Ria na haar opleiding opklom tot een leidinggevende positie bij het maatschappelijk werk in Nijverdal, ontmoette ze andere boerenvrouwen die ruchtbaarheid wilden geven aan het stille leed aan de keukentafel. Ze zetten organisaties op om een stem te geven aan de boerenvrouwen. De traditionele landbouworganisaties deden daar niet aan.

In het verstedelijkte Nederland had het maatschappelijk werk ook geen oog voor wat er bij de boeren leefde, en de boeren zochten ook geen hulp. Ria kwam wel in de boerenkeukens. Ze kende de taal daar, en ook het dialect. Via de vrouw kwam ze aan de praat met de man. Maar die was meestal afkerig van een gesprek met een vrouw over zijn bedrijf. Wat weet zo’n vrouw daar nou van? Ria wist er wel van.

Tijdens een busreis met andere boeren naar Oostenrijk had Ria verteld wat ze voor werk deed en daar kreeg ze spijt van. De hele vakantie was ze aan het praten over de problemen van de reisgenoten.

Ze zette een telefonische hulpdienst op. Maar de gesprekken kwamen moeizaam op gang. Telefoneren over persoonlijke zaken was ongewoon.

Ria zelf leek soms vergroeid met de telefoon. Altijd leek ze aan het bellen te zijn, ze was een netwerker lang voordat dat woord in zwang kwam.

Haar netwerken kwamen van pas bij grote rampen, zoals bij uitbraken van mond- en klauwzeer en vogelpest. Er was veel verdriet over lege stallen, over het getreuzel met de vergoedingen voor het afgemaakte vee, over de taxateurs die een afgevallen oormerk bestraften met kortingen. De mensen waren kapot.

In hun eigen leven ging het ook mis. Frans kreeg het aan zijn hart en Ria verbrijzelde haar arm bij een auto-ongeluk. Opnieuw was de beslissing snel genomen. De boerderij werd opgedoekt in 2000. Het was een gepacht bedrijf, dus ze moesten verhuizen. Ze vonden het niet erg. Laag Zuthem was al leeggelopen, de laatste winkel was dicht. Ze gingen naar Lochem, naar een stadse woning in een nieuwbouwwijk aan het riviertje de Berkel. Opnieuw was een crisis thuis een bevrijding gebleken.

Frans ontdekte de golfbaan. Ria leerde het spel ook, maar haar werk voor boeren bleef het belangrijkste. Tot anderhalf jaar geleden, toen ze kanker in de alvleesklier bleek te hebben. Het was ongeneeslijk. Ze nam weer snel een besluit en bereidde alles voor op haar overlijden. Ze koos haar eigen graf uit, onder een denneboom. ’Dan heb ik geen last van de zon’, zei ze.

Op het einde teerde ze weg. Eten ging niet meer. Ze kon zelfs niet meer huilen. Maar ze bleef helder van geest. „Ik ben zo blij dat ik dood ga”, zei ze tegen de artsen die haar uit haar lijden zouden helpen. En ze sprak haar man bemoedigend toe. „Frans, je redt het wel.” Ze was weer even maatschappelijk werker.

mailIcon print |