*

 

De nieuwe schoolstrijd

Maaike van Houten − 18/11/09, 00:00

Bijna een eeuw oud is artikel 23 van de Grondwet nu. Destijds opgenomen als reactie op de staatsscholen, om de vrijheid van onderwijs te garanderen. Maar het verzet ertegen neemt toe, ook binnen de politiek, omdat door artikel 23 nu vaak niet kan worden ingegrepen op scholen waar het misgaat.

  • Handenarbeid op basisschool De Vliegenier. Christelijke basisschool De Diamant en openbare basisschool De Vliegenier vormen een brede school.  ( FOTO JÿRGEN CARIS, TROUW)
    Handenarbeid op basisschool De Vliegenier. Christelijke basisschool De Diamant en openbare basisschool De Vliegenier vormen een brede school. ( FOTO JÿRGEN CARIS, TROUW)

Ze past ervoor het bijzonder onderwijs neer te sabelen; daarvoor zijn er genoeg goede christelijke scholen met veel allochtone kinderen. Toch hoopt de Utrechtse wethouder Rinda den Besten dat de vrijheid van onderwijs zoals geregeld in artikel 23 in de Grondwet, zijn honderdste verjaardag níet haalt.

De 36-jarige Den Besten heeft op zichzelf niks tegen christelijke scholen, of islamitische, of welke richting dan ook. Ze is christelijk opgevoed, en thuis ligt een kinderbijbel op tafel. Maar principieel is deze PvdA-wethouder ronduit tegen de vrijheid van onderwijs zoals die sinds 1917 in de Grondwet is vastgelegd. De verzuilde inrichting van het onderwijs past volgens haar niet meer bij de moderne, ontzuilde samenleving.

Als wethouder stuit ze bovendien in de praktijk op ’rare dingen’, die ze toeschrijft aan de vrijheid van onderwijs. Hoewel er wel zwarte christelijke scholen zijn, is het haar een doorn in het oog dat bijzondere scholen kinderen kunnen weigeren. Orthodoxe islamitische scholen doen te weinig aan burgerschapsvorming. Den Besten noemt orthodox-christelijke scholen, die weigeren homo-educatie in het programma op te nemen. En ze moest met lede ogen toezien hoe een schoolbestuur dat drie zwakke islamitische scholen leidde, toch op het Utrechtse Kanaleneiland een vierde school kon stichten. „Zo’n bestuur mag zomaar een nieuwe school beginnen waar ze gaan experimenteren met kinderen. Maar ja, je kunt niks doen, je loopt op tegen dat vermaledijde artikel 23.”

Na decennia waarin een beroep op de vrijheid van onderwijs elke discussie in de kiem smoorde, wordt ook in politiek Den Haag inmiddels kritiek gehoord. De inspectie ziet scherper dan voorheen toe of scholen wel aan hun verplichtingen voldoen, staatssecretaris Dijksma (PvdA) stopt met subsidie aan een islamitische basisschool in Amsterdam als die niet meer aan burgerschapsvorming doet, bij zwakke scholen moet eerder worden ingegrepen, en de overheid gaat scholen toetsen voordat ze kunnen fuseren.

Volgens Den Besten zijn dit stappen in de goede richting, maar de vrijheid die artikel 23 biedt, blijft volgens haar te groot. Ze spreekt vandaag op een congres van de Vereniging Openbaar Onderwijs (VOO), die net als zij uit is op afschaffing van de vrijheid van onderwijs. „Als het lukt om in 2017, honderd jaar na de onderwijspacificatie het verzuilde onderwijsbestel af te schaffen, heffen wij onszelf op”, kondigde VOO-directeur Rob Limper vorige maand aan op de Podium-pagina van Trouw.

Limper keerde zich in zijn bijdrage tegen de Besturenraad van werkgevers in het christelijk onderwijs. Voorzitter Wim Kuiper ervaart het recente scala aan Haagse plannen om scholen de wet voor te schrijven, als een grote bedreiging voor de vrijheid van onderwijs. Die is volgens hem in gevaar, scholen worden een speelbal van de politiek. Terwijl het bijzonder onderwijs aan het begin van vorige eeuw juist is ontstaan als reactie op de staatsscholen in die tijd. De school aan de ouders, vonden de stichters van de eerste christelijke scholen, die in 1917 financieel gelijkgesteld werden aan openbare, waarmee de schoolstrijd werd beslecht.

Kuiper ziet de steun voor de vrijheid van onderwijs verminderen, misschien niet zozeer bij de ouders, als wel in de politiek. CDA-Kamerlid Jan Jacob van Dijk is dát wel met hem eens. De Vereniging Openbaar Onderwijs wordt steeds militanter. De SP had onder Jan Marijnissen nog wel een zweem van religiositeit, maar nu ziet Van Dijk louter verharding van de SP-standpunten over artikel 23.

Datzelfde verschijnsel ontwaart hij bij de VVD, de partij waarmee het CDA graag regeert. Kamerleden als Clemens Cornielje liepen ook tijdens de CDA-loze paarse kabinetten met de tekst van artikel 23 in hun borstzak. Maar de geest van latere parlementariërs als Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders is in het liberale huis blijven hangen. Die ageerden tegen artikel 23 uit onvrede met islamitische scholen – overigens noemde premier Balkenende islamitische scholen en organisaties enkele jaren terug potentiële ’gevangenissen van achterstand’.

Dat de twijfel over de vrijheid van onderwijs bij sommigen wordt ingegeven door zorg of ergernis over islamitische scholen, maakt dat Den Besten op haar hoede is. „Je wordt snel verkeerd begrepen”, zegt de Utrechtse wethouder. „Ik wil niet aan de leiband van Wilders lopen. Je moet de discussie heel zorgvuldig voeren. Ik wil ál het bijzonder onderwijs afschaffen, niet alleen het islamitische.”

CDA-Kamerlid Van Dijk kent het standpunt van Den Besten. Het nut van de vrijheid van onderwijs wordt volgens hem in toenemende mate betwijfeld. Maar artikel 23 is niet onmiddellijk in gevaar. „Dat klinkt te veel alsof er maar dít hoeft te gebeuren of het is weg. Zo is het niet, artikel 23 is morgen niet verdwenen.”

Maar het is wel ’permanent knokken om artikel 23 overeind te houden.’ Het CDA kiest daarbij een offensieve houding; de lijn van Kuiper van de christelijke besturenraad vindt Van Dijk te defensief en krampachtig. De oud-voorzitter van een groot schoolbestuur is ervan overtuigd dat de betrokkenheid van ouders wordt vergroot door de keuzemogelijkheid die de onderwijsvrijheid hun biedt – en dat geldt voor de christelijke school net zo goed als voor de openbare. „Als alles hetzelfde is, is de betrokkenheid minder.” En ouders willen graag een school die past bij hun levensovertuiging.

Van Dijk hamert er op dat het bijzonder onderwijs werk moet maken van zijn identiteit. Hij komt nu een zekere ’verlegenheid met de identiteit’ tegen. Terwijl het bestaansrecht van het christelijk onderwijs wordt onderstreept als de scholen zelfbewust hun eigen concept en cultuur vormgeven en uitdragen, vanuit christelijk-sociale waarden.

En: de kwaliteit van het onderwijs hoort op orde te zijn. Van Dijk: „De vrijheid van onderwijs mag nooit een vrijbrief zijn voor een schoolbestuur om zelf te bepalen wat het doet, zonder acht te slaan op de kwaliteit.” De verantwoordelijkheid legt hij nadrukkelijk bij de inspectie en de schoolbesturen, niet bij de gemeente. „Tegen mevrouw Den Besten zeg ik: alsjeblieft geen gemeentebestuurders die rechtstreeks ingrijpen bij scholen. Daar hebben we de inspectie voor.”

Hoezeer hij ook met Den Besten van mening verschilt, over de houding van haar partij, de PvdA, is de CDA’er goed te spreken. „Ik zie bij de coalitiepartner geen acties die artikel 23 ondermijnen. Over de publieke optredens van staatssecretaris Dijksma maak ik me geen zorgen.”

Zelf ziet Den Besten de stroming binnen de PvdA die artikel 23 wil schrappen, sterker worden. Ze zou de stelling wel aandurven dat de meeste jonge partijgenoten voor afschaffen zijn. Onderwerp van gesprek tussen sociaal-democraten is dat maar zelden. „Mensen zeggen: ach, dat lukt toch nooit in Nederland. Of ze vinden andere dingen in het onderwijs urgenter. Ik merk dat je ver kunt komen met artikel 23, maar het is verrekte moeilijk. En je kunt niks afdwingen. Daarom moet je hier beginnen.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />