De geschreven pers is het stiefkind van het mediabeleid, zei Kamerlid Joop Atsma (CDA) deze week in onze kolommen. En het ziet er, ook na het Kamerdebat dat een dag later volgde, niet naar uit dat daarin veel verandering zal komen.
De Tweede Kamer debatteerde met minister Plasterk over de positie van de geschreven pers in het algemeen en van de dagbladen in het bijzonder. Aanleiding was het rapport van de commissie-Brinkman over de gezondheidstoestand van de geschreven pers.
Die is niet best. De kranten krijgen niet alleen een dreun door crisis en dalende advertentie-inkomsten, maar hun positie staat ook structureel onder druk. Deze pijler onder de democratie wordt zwakker. Dat moet de overheid zich aantrekken, concludeerde Brinkman.
Dat de Kamer over de kranten debatteerde was op zich al bijzonder. Er wordt voor schriftelijke en mondelinge vragen rijkelijk geput uit de bladen, maar over het lot van de krant heeft de politiek het zelden. Den Haag debatteert veel over de (publieke) omroep - waarin ze honderden miljoenen steekt - maar de geschreven pers is zelden onderwerp van gesprek.
De reactie van Plasterk op het rapport Brinkman was mager. De minister zegde enkele miljoenen toe voor innovatie en het inhuren van jong journalistiek talent. En hij beloofde in de Mediawet meer ruimte te maken voor de samenwerking van publieke omroep en krant. En daar bleef het bij.
Op de glasheldere analyse van de commissie-Brinkman, volgde geen duidelijke visie van het kabinet op de toekomst van de geschreven pers. En in de Kamer was het deze week niet anders. Het plan om jonge journalisten te subsidiƫren dreigde zelfs te sneuvelen.
Er werden alternatieven geopperd, zoals het subsidiƫren van persbureau ANP als een instelling van algemeen nut. Maar ook van de Kamer kwam er geen grootse visie en geen groots gebaar.
Is dat erg? Ja. En nee. Het is aan de kranten zelf om die visie te hebben en te zorgen dat ze toekomst houden. Of de krant in de toekomst nog op papier wordt gedrukt, elektronisch wordt verspreid of alleen nog op het mobieltje wordt gelezen, is niet de belangrijkste kwestie. De kwestie is dat er ruimte moet blijven voor kwaliteitsjournalistiek.
Die ruimte kan geen overheid garanderen. Die ruimte blijft er alleen als mensen de waarde van kwaliteitsinformatie onderkennen en die ook tot zich willen nemen. Zorgen dat mensen je willen lezen, is de belangrijkste opdracht voor een krant.
De overheid kan wel helpen door die kwaliteitsinformatie betaalbaar te houden. Daar hoeven geen ingewikkelde constructies voor bedacht te worden. We kunnen afspreken dat wij de krant maken en dat Plasterk hem bezorgt. Want als iets ons gaat nekken zijn het de kosten van distributie en bezorging. De BTW op kranten kan worden afgeschaft. De omroepgegevens, waar we nu voor betalen, kunnen gratis ter publicatie worden aangeboden.
Het zijn maatregelen die de redactie niet raken en die ons echt zouden helpen. Maar dan nog is het aan de krantenmakers zelf om te zorgen dat mensen iedere dag uitzien naar de krant. Dat ze willen weten wat er in de wereld gebeurt, dat ze benieuwd zijn naar de achtergronden van het nieuws, dat ze verdieping willen.
Dat er andere, snellere kanalen zijn gekomen voor het verspreiden van het nieuws is niet het ergste. Het heeft ervoor gezorgd dat kranten zich gaan toeleggen op het duiden van het nieuws. Zorgen moeten we ons maken over mensen die het nieuws helemaal niet meer volgen. Hun aantal groeit.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.