Zo jong nog maar, net 23 geworden. Niemand die het begrijpt. Zo'n levenslustige jongen, vol grappen, en altijd omringd door vrienden.
Een dag na zijn dood kwamen de werelden van Selçuk Bakgün bijeen in de Turkse moskee van Deventer. Zijn Nederlandse vrienden – de meisjes onwennig op de achterste rijen – kwamen met bloemen. De Turken kwamen met gebeden.
Op de kist lag Selçuks voetbalshirt van de Deventer amateurclub RDC, en er lag de vlag van de stad Adana, waar zijn vader vandaan komt en waar zijn zoon de volgende dag begraven zou worden.
De plechtigheid duurde kort. Na een half uur stond iedereen weer op straat, nog beduusd van de snelheid waarmee Selçuk uit hun leven is verdwenen. Hij was niet bang geweest voor de dood, wel voor het verdriet van zijn familie en vrienden. Hij wilde hen niet in de steek laten.
Hij had veel vrienden, veel meer dan hijzelf wist. In het ziekenhuis waren bezoekers geweest die hij amper kende. Hij genoot van zijn populariteit.
Wat hij met zijn leven had gewild, daar was hij nog niet zo zeker van geweest. Wel zeker was dat hij altijd mensen om zich heen wilde hebben. En dat hij die mensen wilde betoveren met zijn glinsterende ogen, zijn glimlach en zijn grappen. Hij was onuitstaanbaar soms, een flierefluiter, maar iedereen hield van hem.
Dat was al zo op de basisschool in het Oranjekwartier in Deventer . Hij was de enige leerling van Turkse afkomst in de klas. Ook al werd er thuis Turks gesproken, hij had geen taalachterstand. Selçuk was zo op vriendschappen gericht, dat de woorden hem kwamen aanwaaien. Bij zijn beste vriendje Silvester thuis pikte hij zelfs hele zinnen Moluks op.
De onderwijzers hadden de handen vol aan zijn bruisende energie. Met de onafscheidelijke Silvester speelde hij het liefst buiten. Hij had het hele schoolterrein nodig om zijn energie er uit te rennen. Binnen zat hij graag met bouwmateriaal te spelen en maakte dan met veel fantasie de mooiste bouwwerken met bijbehorende verhalen.
Kattekwaad was ook een liefhebberij. Als hij straf kreeg, deed hij niet moeilijk. Hij moest er al gauw om lachen, ook om zichzelf.
Maar er was een grens. Hij kon ook heel koppig zijn. Zo was hij als kleuter eens brutaal geweest tegen een overblijfmoeder. Voor straf moest hij afwassen. Dat pikte hij niet. Afwassen was iets voor meisjes. En jongens doen geen meisjesdingen, daar was hij heel beslist over. De hele school kon op z’n kop gaan staan, hij vertikte het.
Zijn vader, die op zijn 21ste in het begin van de jaren zeventig naar Nederland was gekomen, onderhield het contact met de school. Zijn moeder, die moeite had met de Nederlandse taal, bleef op de achtergrond. Vader was trots op Selçuk, hij had alles voor hem over. Hij werkte in een beddenfabriek en klom op tot voorman. Zijn zoon moest verder komen.
Maar Selçuk had geen studiehoofd. Voetballen op straat, later ook in clubs, was belangrijker. Hij zat ook op karate. Voor zijn vele vrienden had hij ook alle tijd. Op het vmbo deed hij de richting detailhandel. Maar hij maakte het niet af.
Zijn vader was resoluut. Als je niet verder wil leren, dan moet je werken, er wordt niet gelummeld. Hij vond een baan als verkoper bij een winkel met merkkleding voor jongeren. Daar was hij in zijn element. Hij hield van mode. Thuis had hij zijn kleren net zo mooi gevouwen als in de winkel. Klanten in de winkel werden makkelijk ook zijn vrienden.
Op zaterdagavond trok de hele vriendenclub twintig kilometer verderop naar Raalte. Daar was een populaire discotheek waar de Deventer jongeren hun eigen hoekje hadden. Als die meute uit Deventer binnenkwam liep Selçuk altijd voorop. Hij deed dan zijn fotomodellen-act: met een bestudeerd arrogante blik liet hij zich even bewonderen. Daarna was het lachen om het effect dat hij altijd wist te scoren. Vooral bij de meisjes.
In die discotheek ontmoette hij zijn eerste grote liefde. Hij was zeventien, zij zestien. Eerst vond ze hem maar een ijdeltuit, altijd met zijn ogen op de spiegel gericht. „Ik zie er weer spang uit”, zei hij dan. Hij legde het er zo dik bovenop dat iedereen moest lachen.
Eerst wisten ze van elkaar niet dat ze van Turkse afkomst waren. Echt belangrijk vonden ze dat toen ook niet. Ze hadden twee jaar lang een stormachtige verkering. Zij was serieus, maar Selçuk was nog lang niet uitgespeeld. Hij kon al die andere meisjes die hem bewonderden niet weerstaan. Maar tot een echte verkering met een ander meisje kwam het niet.
De zondag was voor het voetballen, zijn andere passie. Hij speelde meestal rechtsbuiten in het eerste elftal van RDC. Ook al speelt de club slechts in de derde klasse, het elftal is wel ambitieus. Selçuk was dat ook. Hij had talent en in zijn dromen was hij een ster zoals Ronaldo.
Ook bij de club was hij nadrukkelijk aanwezig. Zijn voetbalvriend Rick en hij hadden allebei een kanariegele Renault Mégane die ze altijd naast elkaar parkeerden. „Jullie lijken wel homo's”, kregen ze te horen tot grote pret van Selçuk, want hij stichtte graag verwarring.
Op het veld maakte hij niet altijd grote indruk. Met al dat uitgaan, kwam hij nog weleens te laat en presteerde hij niet altijd op zijn top. Niemand nam er echt aanstoot aan. Met zijn clownerie op het veld kreeg hij iedereen weer aan het lachen.
Het laatste jaar begon hij te denken over hoe hij verder wilde. Zijn speelsheid en zijn mooie groene ogen waren misschien onvoldoende voor een goed leven. Hij dacht erover om weer naar school te gaan. En hij maakte een afspraak om te gaan eten met zijn eerste vriendin. Ze hadden de ringen die ze elkaar hadden gegeven altijd gehouden. Misschien hadden ze toch nog een toekomst samen. Maar op het laatste moment zegde hij de eetafspraak af. Hij had zo’n erge maagpijn.
Hij had al een jaar wat last gehad van zijn maag. Hij was altijd gezond geweest en dokters kende hij niet. Maar het werd te erg. In het Deventer ziekenhuis was de diagnose hard: je hebt nog hooguit een half jaar, er is niets meer aan die maagkanker te doen.
Selçuk begreep het niet. „Ik heb altijd gezond geleefd, geen tabak, geen alcohol, geen drugs. Ik ben goed geweest voor iedereen. Waarom krijg ik dit?” Niemand wist het.
In het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam wilden ze hem wel behandelen. Hij reisde op en neer naar Amsterdam voor de therapieën. Ze leken aan te slaan en Selçuk fleurde op.
Als hij tussendoor weer in Deventer was, liep hij weer te grappen op straat. Hij kwam ook naar de voetbalclub: terwijl zijn elftal trainde, rende hij alweer rondjes om het veld. Over zijn ziekte was hij kort: daar kom ik wel over heen.
Zijn vader was zo blij dat hij de lievelingsauto van zijn zoon cadeau deed: een Audi TT. Selçuk kocht een bijpassende dure zonnebril. Hij had weer een nieuwe pose bedacht.
Er was ook twijfel. Toen hij eens met een goede vriend over straat liep, ging Selçuk plotseling voor hem staan. „Dennis, ik hou van je”, zei hij. En ze liepen verder.
Dat was ongewoon. Selçuk kon ook jongens omarmen en kussen, daar was iedereen aan gewend. Maar zo’n serieuze verklaring aan zijn vriend, dat gaf te denken over zijn gedachten.
Selçuk kreeg zware hoofdpijn. De kanker bleek ook naar zijn hoofd gekropen te zijn. Hij heeft nog een week geleefd.
Het is allemaal zo snel gegaan dat Selçuks vriend Dennis nu nog kennissen tegenkomt die van niets weten.
Hee, hoe is het met Sel? vragen ze dan.
Hij is dood.
Wat? Nee, dat kan niet!
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.